P.J.M. de Baar
Eén uwer rondleiers heeft de nare gewoonte om bij een gezelschap 'grijze koppen' van Hollandse herkomst, staande voor de mooie gevel van de Stadstimmerwerf, zich om te draaien en dan te wijzen op de N.A.P.-steen die een stukje boven de gemetselde walmuur van het Kort Galgewater uitsteekt en dan een beetje pesterig te vragen: wat betekent NAP? Voor meer dan 90% van de rondgeleiden geldt dat ze, soms in koor, uitroepen: Nieuw Amsterdams Peil. Ze krijgen dan meteen het lid op de neus, en advies hun schoolgeld terug te halen, want (behalve bij Openbare Werken van de gemeente Amsterdam zelf) betekent het al sinds in ieder geval 1 januari 1891: Normaal Amsterdams Peil.
Het verhaal
In haar boekje Van Amsterdams Peil naar Europees Referentievlak. De geschiedenis van het NAP tot 2018 (Hilversum Verloren 2018) legt Petra van Dam uit dat in 1684 de Amsterdamse politicus (o.m. burgemeester) Johan Hudde bij het Stadswaterkantoor op de Nieuwmarkt een Amsterdams (stads)peil vaststelde, dat daarna door de Rijnlandse landmeter Melchior Bolstra door heel Rijnland verspreid werd, met name in 1737, onder meer bij Katwijk aan Zee. Allengs werd het door heel Nederland (en Pruisen, ‘Normal Null’) verbreid; elders had men eigen peilen (zoals in België), die soms flink scheelden. In het verenigd Koninkrijk der Nederlanden had koning Willem I bij Koninklijk Besluit van 18 februari 1818 nr. 60 bepaald dat het Amsterdams Peil in heel het rijk als norm zou gelden, maar dat opstandig muitziek rot in 1830 wist het natuurlijk beter en bepaalde een Belgisch peil op 2,3 meter lager dan AP. Toch heeft dat AP de strijd gewonnen en in 2008 werd het European Vertical Reference Frame, identiek met NAP, de norm in Europa.
Waarom zit die steen nu uitgerekend aan het Kort Galgewater? Dat heeft er mee te maken dat dat een breed water is (dus minder last heeft van opstuwing of afwaaiing door wind of zo) en voor de deur van de Stadstimmerwerf zit. Van 1810 werden bij de Witte Poort in de Witte Singel (maar die plek was toch minder ideaal) en sedert 1845 tot 1862 aan het Kort Galgewater dagelijks de waterstanden opgenomen door de in het mooie huis wonende conciërge van de Stadstimmerwerf (vaak meerdere keren als het peil flink fluctueerde). Die moest dus iedere dag, weer of geen weer, gaan meten (wellicht met een duimstok, want een peilschaal is er in ieder geval nu niet) hoe hoog of laag het water stond. Thans probeert het Hoogheemraadschap van Rijnland met alle mogelijke middelen (vooral het gemaal in Katwijk) het peil van zijn boezem op 0,60 m min NAP te houden (inmiddels gezakt tot -0,62). Vroeger schommelde dat peil véél meer, soms – zoals in 1836 – tot wel 1,42 meter binnen één jaar. In dat jaar stond het water dan ook op de straten in de laagste delen van de stad, waar flink wat schade aangericht werd. Uit de periode dat de gegevens door stadsarchitect Salomon van der Paauw, die zelf aan de Oude Singel woonde, bewaard zijn (Stadsarchief III inv.nr. 4538), is af te leiden dat (in ieder geval tot 1845) de laagste stand was -1,175 (dus 57 cm onder Rijnlands boezempeil) en de hoogste +0,25 (dus 85 cm boven boezempeil), zie L. Barendregt, Hoog- en laagwater in Leiden. Een leidraad bij de interpretatie van Leidse archeologische vondsten, in Bodemonderzoek in Leiden 1986 p. 74-103. Pas de invoering van boezembemaling door middel van stoomgemalen zorgde voor een veel stabieler peil, ideaal voor de toestand van de heipalen onder (nieuwere) gebouwen (want in de binnenstad werd vrijwel niet geheid) en bij hoger peil voor de doorvaarthoogte van vaste bruggen en dergelijke. Dit peilvlak is ook het referentiepunt voor heel Leiden; van hier is een net van hoogtepunten vastgelegd, vanwaar het peil (nulpunt) naar wegen, gebouwen en andere hoogten op elke gewenste plaats overgebracht kon worden door te waterpassen. Een bekend punt is de knopbout op de hoek Breestraat-Kort Rapenburg, in het stukje schuine gevel van Breestraat 2, het vroegere bankgebouw (nog zichtbaar aan de tralies in alle raampjes in de Kabeljauwsteeg) van onder meer Slavenburg’s bank, Crédit Lyonnais enz. Deze koperen knop zit ongeveer op kniehoogte boven het maaiveld daar – hoeveel dat precies is ten opzichte van N.A.P. stond vroeger in boekjes die alle landmeters hadden. Ook zijn de coördinaten van dit meetpunt heel nauwkeurig vastgelegd voor de Landmeetkundige Dienst van het Kadaster enz., een punt voor kadastrale en andere metingen en kaarten. Tegenwoordig is het allemaal min of meer overbodig geworden door Total Stations, die o.m. met GPS werken. Wat dus een eenvoudige steen wel niet voor historie kan hebben!
