Jan van Hout

 

De waterloosinge van Rijnland in der Yssele

P.J.M. de Baar

 

JAN VAN HOUT OP INSPECTIE NAAR DE HOLLANDSCHE IJSSEL TUSSEN GOUDA EN OUDEWATER. “VERBAEL NOPENDE DE WATERLOOSINGE VAN RIJNLAND IN DER YSSELE”.

Hierachter volgt een transcriptie van Stadsarchief 1574-1816 inv.nr. 5840, dat eerst door Jan van Hout zelf in een kladversie geschreven is en daarna door een (beginnende?) klerk overgeschreven, maar hier en daar door Jan van Hout gecorrigeerd (kennelijk kon zelfs die klerk zijn krabbels niet helemaal begrijpen) of aangevuld, en door hem van Nu.o 26 voorzien (het betreffende nummer van de lade van zijn archiefkast). Onderaan op de kaft heeft Van Hout de opmerking gekrabbeld: “Zij noch eens gegrosseert”; kennelijk wilde hij nog een extra afschrift hebben, wellicht bestemd voor derden. Achterin was ingebonden een door hem getekende (gekopieerde) kaart, die er in het laatste kwartaal van de twintigste eeuw uitgehaald is voor fotografie; er zijn nu drie kleurenfotootjes bijgevoegd, die elkaar overlappen en de hele kaart in beeld brengen. De kaft is gescheurd en beschadigd, maar het tekstverlies is uiterst gering.

Jan van Hout wist heel veel van waterstaatszaken vanwege zijn bemoeienissen met het Hoogheemraadschap van Rijnland en polders waar de stad mee van doen had, zoals de Munnikkenpolder in Leiderdorp. Toen stad en gewest Utrecht aandrongen op een inspectie van de Hollandsche IJssel om te zien of verdieping en verwijding niet alleen een Utrechts belang zou zijn, maar ook Rijnland daardoor veel water zou kunnen gaan lozen, wilde Leiden als een belangrijke hoofdingeland daar best wel een keer naar kijken, ook al zou Leiden er wel geen direct nut van hebben. Mocht Utrecht gehoopt hebben op een geldelijke bijdrage van de stad, dan kende het zijn goede nabuurstad wel heel slecht; Leiden had meer dan genoeg zorgen en kostbare plannen aan zijn hoofd om zich ook nog eens te storten in een avontuur ver van de stad, dat wel eens een bodemloze put zou kunnen blijken te zijn. Maar om Utrecht (en Gouda) niet voor het hoofd te stoten, ging men er op in en een drietal werd afgevaardigd om die inspectie te doen en met die andere partijen te onderhandelen, ook al bestond dat maar uit het vriendelijk afwimpelen van betrokkenheid van Leiden en in bredere zin Rijnland. Als een soort voorzitter was Pieter Adriaensz. van der Werff natuurlijk iemand die wel enig gezag had, Simon Fransz. van Merwen was landmeter en deskundige op technisch gebied, en Jan van Hout de ideale penvoerder (en soms woordvoerder). Onderweg, in een schokkerige wagen of een schommelende schuit, maakte hij al aantekeningen, die hij zo snel mogelijk uitwerkte – zo was het hem mogelijk bij de terugkeer in Gouda al hele stukken uit zijn verslag voor te lezen (al liet hij daar wel de passages weg die voor Gouda, en speciaal burgemeester Moel, met zijn rare meningen en verkeerde voorstellingen van zaken, minder plezierig zouden zijn). De bedoeling was dat dit rapport eerst voorgelezen zou worden in een vergadering van het Gerecht (het stadsbestuur), en als dat er geen bezwaren tegen had, in een vergadering van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland, met de hoofdingelanden en de leden van de Rekenkamer in Den Haag wanneer de rentmeester van Rijnland daar zijn rekening zou verantwoorden. Of dat gebeurd is, is niet nagezocht, maar het eindresultaat zal wel geweest zijn dat de verzamelde heren telkens zuinigjes hun hoofd schudden: aan zo’n avontuur, volgens de commissie (dus Van Hout) volstrekt onnodig, zouden ze hun dure geld maar niet gaan weggooien. Tot slot: de bijzonderheden ten aanzien van het weer worden bevestigd door Jan Buisman in zijn Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen (deel 4 p. 172), maar specifieke bijzonderheden over dit gebied, zoals de op fol. 27 gemelde langdurige oostenwinden en ijsgang, kende hij niet. En in De dam bij Hoppenesse. Gevolgen voor de afwatering van het gebied tussen Oude Rijn en Hollandsche IJssel door Guus J. Borger, Frits H. Horsten en Johan F. Roest (Hilversum 2016) wordt zeer diep ingegaan op de hier geschetste problematiek, al wordt niet naar dit rapport verwezen, zodat de auteurs het wel niet kenden.

Folio 1 begint met in de marge een soort kort trefwoord, in dit geval: [1e commissie], in het handschrift van Jan van Hout, in een fraaie cursiva (Italics). Dit zal verder steeds tussen vierkante haken vermeld worden, ook al is het in wezen een dubbeling.

Die van de Gerechte deser stadt Leyden, in hare vergaderinge op ’t Raidthuys derzelver stede gehoort hebbende ‘tgundt hemluyden deur de Edele Heeren joncheer Gerard van Renesse, heere van der Aa, burgermeester der stadt Utrecht, ende meester Anthonis van Cuyc, advocaet ’s lants Uytrecht als gecommitteerden van de heeren Staten ’s lants ende van der stadt van Uytrecht ende deur Philibert van ….[niet ingevuld; mogelijk: van Serooskercken] ende joncheer Philips van Steelandt, gedeputeerden van de welgeboren g(enadige) heere Philips grave tot Hohenloo, mondelinghe es verthoont ende versocht, ooc gesien de brieven van Zijn G(enade) geschreven uyt Delff den 21en marty 1595, alles ten fijne yemant vanwegen deser stede mocht werden gecommitteert omme inspectie oculaer te nemen van de jegenwoirdige gelegentheyt van de riviere van der IJssele, ende daerop te letten off de sluysen in de dijcken aldaer bij ebbe het binnenwater uytloosen of niet?, ende consequentelicken off Rijnlandt mits ’t verdiepen ende verwijden van der voors. IJssele (bij de heeren van Uytrecht voorgenomen) deur de canalen daerinne responderende niet merckelicken van wateren en sal werden ontlast ende vermindert?, hebben teneynde alsvooren gecommitteert ende committeren mitsdezen Pieter Adriaenszoon van der Werff, burgermeester, meester Symon Fransz. van der Merwen, vroetschap, ende Jan van Hout, secretarys, mit last omme haer bevinden pertinentelick bij geschrift te stellen, ooc te chaerteren ende van alles goet ende getrou rapport te doen teneynde ‘tselve gehoort den gedeputeerden deser stede die ter anstaende vergaderinghe van den hooftinnegelanden van Rijnlandt zullen werden geschict nairder sullen mogen werden gelast omme conform het twede lith van ’t geroerde versouc, de saicke van de versochte contributie tot de verdiepinge van der Yssele te hebben in favorable recommandatie ende zodanighen redelicken contributie te helpen innewillighen als bevonden zal werden te behoiren; van ‘twelc geordonneert es [fol. 2] gemaict ende den voorn. gecommitteerden gelevert te werden de jegenwoirdighe acte. Aldus gedaen opten 22en marty 1595. [dezelfde tekst is ook opgenomen in Gerechtsdagboek C fol. 141v, SA II inv.nr. 47]

[1en geraemden dach] Ten zelven dage es mitten gedeputeerden van Uytrecht bestemt dat die gelaste van die van Leyden hem tot Uytrecht sullen laten vinden op woonsdage toecomende den 29en marty ‘tsavonts in der herberge om ’s anderendaechs mitten anderen in besoinge te treden.

[Verbael] Achtervolgende de acte van commissie hyervooren overgeschreven op ’t versouc van de gecommitteerden heeren van de stadt ende ’s lants van Uytrecht, mitsgaders van de gedeputeerden van Zijn G(enade) van Hohenloo, bij die van den Gerechte deser stadt Leyden gegeven ende verleent op ons, Pieter Adriaensz. van der Werff, burgermeester, Symon Franszoon van der Merwede, veertich ende vroetschap der voorschreven stede ende gesworen lantmeter van Rijnlandt, mitsgaders Jan van Hout, secretaris der stadt Leyden, soe heeft ons nodich geacht eer ende alvooren wij ons volgende ’t affscheyt mitten voors. gecommitteerden ende gedeputeerden genomen naer Uytrecht zouden vervoegen, ons opte gelegentheyt der voorgenomen saicke wat te informeren ende tot dien eynde de stucken ende papieren van der stadt te doersoucken, nyet alleen om de heeren van Uytrecht voor soeveele wij des van node souden mogen vinden, te dienen van onderrechtinge, alsooc ende sonderlinge om onse heeren ende meesters wedercomende van alles ende ten vollen te connen rapporteren ende (des versocht zijnde) te dienen van advis. Om ‘twelc bequamelicken ende mit goeder ordre tewege te brengen bestaet (ons bedunckens ende onder straffe van beter gevoelen) de gelegentheyt deser saicken aldus:

[1o. Of Rijnland bi der diepinge sal sijn gebaet] Ten eersten off Rijnlandt deur de voorgenomen wijdinge ende diepinge van ’t verlande canael der Ouder Yssele, beginnende uyten Rijn, te weten de Uytrechtse Vaert boven IJsselsteyn tot der stadt van der Goude toe ende so men ons seyt [fol. 3] [Lengde dere Yssele] lang zijnde omtrent negenduysent roeden, zoe sijn gebaet ende hoeverre.

[2o. Wat subsidie dient gedaen] Ende ten tweden, ingevalle dat men daeruyt eenich merckelic baet of voordeel waerschijnlicken heeft te verwachten?, wat subsidie ende onderstandt den lande van Uytrecht ende andere die tot de voorschreven verwijdinge ende diepinghe alle de costen zullen doen (die wij wel bevroeden connen dat groot ende overdragende zullen sijn) daervooren bij die van Rijnlandt behoort te werden innegewillicht ende toegevoucht ende tot wiens laste?

Nopende ’t eerste behalven ‘tgeene ons uyter demonstratie off oochmerckelicke anteeckeninge zal werden bewesen (‘twelc wij mit goeder aendacht zullen sien, overleggen ende mit behoirlicke ondervraginge verbaliseren ende in geschrift vervaten) bedunct ons nyet ongeraden alhier een sommier verhael te maecken van ‘tgunt wij uyt de bovengeroerde stucken ende papieren hebben connen bevinden, ende achten dat eenichsints tot onderrechtinge deser saecken heeft mogen dienen.

[d’ Yssel en es geen generale waterlosinge van Rijnlandt] Ten eersten en bevinden wij nyet dat Rijnlandt in ’t gemeen oyt eenige uytwateringhe opter IJsselen heeft gehadt, mer alleenlicken eenighe dorpen onder ’t ressort van ’t waterschap van Rijnlandt gelegen in ’t particulier. [mer voor particuliere] Want den watering of de lantscheydinge van Rijnlandt die men altoos heeft moeten dichthouden (besloten tusschen deeze bepalingen, te weten tusschen Hoevenzijtwinde ende Zwadenburgerdam, den zeedijc (‘twelc de duynen zijn) ende Sparendam) en heeft van allen ouden tijden geen andere waterlosinge gehadt dan deur Sparendam of andere sluysen opter Ye.

[De Ye ordinarys waterlosinge van Rijnlandt] Belangende ’t canael of de riviere van de Gouwe [De Gouwe], ‘tselve en es ten opsicht van Rijnlandt noyt anders geweest dan een gemeene deurvaert ende oversulcx gebruyct, ende ten opsicht van de landen in Schielandt gelegen ende daer aenpalende beneffens een deurvaert ooc een waterlosinghe.

[fol. 4] Ende tot een teycken vandien zoe heeft de Gouwe aen den Rijn van allen ouden tijden aen gesloten geweest mit een sluyse, gelijc die noch es, die bij noordewinden ende als de binnenlanden deur ’t opsetten van het Meerwater (wesende den boosem van Rijnlandt) werden belast, gesloten werden gehouden, min noch meer dan alle andere sluysen in den Rijndijc leggende.

[De Wiericken] Belangende de Grote ende Cleyne Wiericken, die en raecken den ouden ring off waterkeringe van Rijnlandt geensins, mer leggen meer dan een mijl weechs, daervan (als gelijc vooren) den dam gelegen hebbende tot Zwammerdam ter plaetse daer nu de brugge leyt. Ende in allen gevalle zoe hebben die oock sluysen in den Hogen Rijndijc, daermede sij het Rijnwater t’ allen tijden mogen afschutten.

‘twelck dusverre sij geseyt dat Rijnlandt in ’t gemeen noyt waterlosinge opter IJssele en soude gehadt hebben.

[Particuliere losingen opter Yssele] Mer voor zoevele angaet de particulieren dorpen onder ’t waterschap van Rijnlandt leggende, die deur speciale privilegiën van de graven van Hollandt in der tijt haer wateren in der IJssele hebben geloost, ende hoe mits ’t verlanden van der IJsele ‘tselve vruchteloos es geworden ende daerentegens hoevele ende meest alle de landen oostwaerts van de Gouwe tot boven Montfoort toe, ende daer de ring van Amsterlandt (zoe wij verstaen) aen den IJsseldijc verheelt es, bij gebreck dat zij hun wateren in der IJssele nyet en consten losen, mer daermede belast bleven, allengskens in ’t waterschap van Rijnlandt zijn innegenomen tot grote schade ende beswaernisse van den lantsaten van Rijnlandt ende sonderlinge van degeene die ongepoldert mit ende in den bosem gemeen leggen.

Soe hebben wij bevonden ‘tgene hyernair volcht.

[Alphenre waterlosinge] Dat in den jare 1357 die van Alphen, Haserswoude, Boscoop ende Waddinxveen bij privilegie van hertoge Willem van Beyeren geconsenteert es een waterlosinge van den Rijndijc in der IJssele te maicken volgende ’t privilegie geregistreert [fol. 5] in ’t register A fo. 74verso, welc privilegie anno 1358 ’s vrijdaechs naer Sint Lucas bij Jan van Bloys, heer van Schoonhoven, es geconfirmeert volgende ‘tgunt in ’t vers. register staet fo. 78.

[Alphen aen de oostsijde] Dat anno 1361 maendage naer Jaersdach die van Alphen geërft tusschen de Goutschesluyse ende Zwammerdam (‘twelc es Alphen aen der oostzijde) gepriviligeert zijn een watergang te maicken beginnende aen den Rijndijck uyt te gaen ter halver IJsele toe, folio 79verso.

[Scheydinge tusschen Rijnlant en Woerden] Dat anno 1363 ’s vrijdaechs naer Petri ad Vincula tusschen Rijnlandt ende ’t lant van Woerden gecontracteert es, daerbij de zuytsijde van ’t lant van Woerden, ter IJssele uytwaterende, van ’t waterschap van Rijnlandt wert gesepareert, mits betalende opte margen 5 stuvers, mer de noortzijde blijft contribuerende ende uytwaterende mit Rijnlandt, mits houdende twe sluysen op Sparendam, staende fo. 12.

Dat noch ten dage ende jare voors. van gelijcken een accort gemaect es mitten goeden luyden in den Gestichte van Uytrecht die gelant zijn in den watergang tot Sparendamme ende daer uyt te wateren plegen, dat degeene die an de zuytsijde leggen (mits betalende vijff stuvers opte margen) van ’t waterschap van Rijnlandt werden gesepareert, mer de gelanden aen der noortzijde zouden in ’t waterschap blijven, mits houdende twe sluysen op Sparendam, staende folio 13verso.

Welck accordt anno 1363 ’s vrijdaechs nae Vincula Petri bij Johan, bisschop tot Uytrecht, wert geapprobeert, folio 15verso.

[Waterlosing deur Moortdrecht] Dat anno 1380 Paeschavont hertoch Aelbert van Beyeren den goeden luyden van Rijnlandt ende heur nacomelingen geconsenteert heeft een watergang uyter Gouwe in der IJsele te maecken, streckende deur Moordrecht, staende folio 19. [Nota]

[Questie tusschen Rijnlant en Schielant] Dat anno 1391 ’s maendaechs naer [fol. 6] grote vastenavont hertoge Aelbert van Beyeren op ’t geschil tusschen de hogeheemraden van Rijnlandt ende Schielandt verclaert dat die van Alphen mit Rijnlandt ende Schielandt respectivelic sullen gelden mit de landen in elcx ressort gelegen, staende fo. 84verso.

[Begin van de doervaert ter Goude] Dat anno 1413 octobris 12 hertoch Willem van Beyeren geraempt heeft om nutschap ende profijt der stede van Haerlem ende van der Goude een verlaet ende een colc te maicken binnen der stede van der Goude aen beyden sijden van de grote sluyse ende zeyndt tot dien eynde gecommitteerden naer der Goude, staende fo. 36.

[Contract tusschen Rijnlant en Schielant nopende ’t penninggelt] Dat anno 1441 marty 17 een contract tusschen de heemraiden van Schielandt ende die van Alphen, Haserswoude, Waddincxveen ende Boscoop angaende ’t penningelt van de landen daermede zij in der IJssele uytwateren van hertoch Willem van Beyeren werdt geconfirmeert, staende folio 89verso.

[Smaeldorpen] Dat anno 1446 op Bamisschou bij den hogenheemraidt tusschen Alphen ende de smaeldorpen, als Groenswaert, Randenburch, Snijdelwijc ende ’t Vrijambacht van Boscoop, verclaringe wert gedaen nopende ’t onderhout van de Goutschesluyse t’ Alphen, staende folio 99verso.

Dat anno 1448 op Sint Jansschouw bij hoogeheemraiden andermael verclaringe wert gedaen tusschen die van Alphen ende smaeldorpen nopende ’t onderhout van de Goutschesluyse t’ Alphen, staende fo. 101.

[Waddingsveen boven de Bacwetering] Dat anno 1460 april 20 verclaringe van den hoogenheemraet gedaen dat die van Waddincxveen boven de Bacweteringhe gelegen mit Alphen, Haserswoude ende Boscoop zullen uytwateren in der IJssele, fo. 96 ende 97.

[Verlanden van de Yssele] Naer welcke tijt alsoe (zoo ’t schijnt) d’ IJssel meest heeft begonst te verlanden ende zo men zeyt ’t compas te verdrayen, heeft Walraven heer tot Brederode [fol. 7] in den jare 1494 [=1595 in Jaardagstijl] voor zijn polder gelegen onder de watermolen tot [Watermoelen] Zwadenburgerdamme tusschen Rijnlandt ende Woerden, streckende uyten Rijn [Zwammerdamme innegenomen] achter zijne landen, groot 561 morgen, aen de hogeheemraiden versocht ende verworven consent dat de voors. polder (ten opsichte de gelanden hem nyet langer en mochten behelpen om haer water in de IJssel uyt te brengen, zoe sij daer te vorens plachten) een watermoelen mochten stellen om daermede ’t water te mogen werpen in de Rijn, mits gevende penningelt [Penningelt] als om de twe jaeren 4 penningen ende jaerlicx drie groten, tot een erkentenisse van ‘twelc de voorschr. Heere van Brederode den 20en marty anno 94 de hogeheemraden aldaer jurisdictie overgeeft, volgende de brieven staende folio 46verso.

‘Twelc ’t eerste verhael zijnde dat wij van dit besoinge hebben connen vinden van de watermolens, achten zulcx dat die tusschen dezelve tijt ende den jare 1460 moeten zijn gevonden of tot kennisse gecomen.

[Cromwijc en Bulwijc innegenomen] Hebben vorder bevonden dat in den jare 1532 marty 25 die van Cromwijc, Bulwijc, Berwoutswaerde, Keuverlandt ende Bakenesse, gelant opten Rijn tusschen den Holwech ende de Corte Waerderschen dijc, innegenomen zijn mit 784 margen mits gevende jaerlicx een stuver, staende fo. 190verso.

[Mallesluys geleyt] Dat van gelijcken anno 1536 den tienden january die van der Goude bij H[oochlofflicker] M[emorie] keyser Kaerle de Vijffde, grave van Hollandt, zijn geoctroyeert tot ’t leggen van een nieuwe sluys in den IJsseldijck achter ’t Slot ter Goude, ende daerdoor te loosen water in den IJssele, mits (boven 400 gulden bij Zijn Majesteyt daertoe gecontribueert) heffende 3 stuvers op elcke margen [fol. 8] zoe in Rijnlandt als Schielandt, die daerbij souden zijn geprofiteert, daerbij die van der Goude beloven de sluys ten eeuwigen dagen buyten Zijn Majesteyts coste te onderhouden, volgende de verbantbrieff bij die van der Goude daervan verleden opten lesten marty, houdende insertie van ’t octroy, staende fo. 191.

[Quytantie van die van der Goude mit verclaring van de landen profijt doer de loosinge treckende] Volgende denwelcken de voorscreven van der Goude opten tienden decembris 1541 quitantie gepasseert hebben nopende de drie stuvers opte margen gecontribueert tot ’t maicken van de sluys aen ’t casteel (die men nomt de Mallesluys) volgende ’t geregistreerde fo. 242verso, innehoudende nominatie van de dorpen in Rijnlandt die bij der vers. uytlosinge zijn geryft, te weten: twehonderttseventich margen opte westzijde van de Gouwe onder de molen van Zanen; zessentsestich margen van Dieuwer Dirck Govertsz. onder de Hoorn-moelen opte Gouwe bij Alphen; twehonderteenentwintich margen onder de moelen van Laech Boscoop; twehondertzevenenvijftich margen van Groensfoort; vierhondertzeven margen van Poellyen; driehondertzeven margen van Snijdelwijc, alle drie gelegen onder de Noorteynsche molen van Wensveen; driehondert mergen onder Brouc ende ’t landt van Tuyl; twehondert mergen onder Coenecoop; achthondert mergen van die van ’t Suyteynde, alle drie gelegen onder de Zuyteynsche molen van Wensveen; ende driehondertzevenenveertich morgen onder de moelen van Randenburch; maickende tsamen drieduysenthondertvijffentseventich mergen, daervan afgetrocken 300 mergen leggende onder Brouck ende ’t lant van Tuyl, uytwaterende met Schielandt, resteren 2875 mergen, die men dier tijden achtede dat bij der [fol. 9] voorschreven uytlosinghe zouden sijn geryft.

[Reewijc innegenomen] Bevinden noch dat anno 1544 de hoogeheemraiden in ’t waterschap van Rijnlandt innegenomen hebben eerst die van Reewijc, ’t Nieudorp, Scravenbrouc, de Vogelesang, den Tempel, Oude Reewijc, de Saten, Alisambacht(?), tsamen groot 903 margen 3 hont.

[Sluypwijc ingenomen] Noch die van Sluypwijc, Ravensberge, de Vromaden, Campen, tsamen groot 241 morgen 250 roeden.

[De Broucvelden ingenomen] Noch de twe Broucvelden van Zwadenburgerdam, de Sloen, de Broucken, de Bodegravens campen, de Wonnen, tsamen groot 1244 mergen 200 roeden.

[Wijc en Voshol ingenomen] Mitsgaders Wijc en Voshol, tsaemen groot 226 mergen 100 roeden,

Invougen dat zij alsdoen innenemende in als 2625 mergen 250 roeden die vanouts opter IJsele hadden uytgewatert, zoe hadden hem de hooftinnegelanden daerover onder andere beclaecht ende ‘tselve mit processen gesocht off te weren [Proces van den jare 43 (of 44?)]

‘Twelc bij de heer van Assendelff ende Suys, commissarysen, onder andere bij het eerste articule van het accordt anno 1550 es ter neder geleyt [Accord van den jare 50], medebrengende dat men van doen voorts niemant toelaten en zoude omme mit Rijnlandt uyt te wateren dan bij consent van den hooftinnegelanden van Rijnlandt, die men daerop zoude bescrijven als men gewoonlicken was te doene op andere Gemeenlandts zaecken.

[De suytsijde van Lange Lynschoten ingenomen] Volgende denwelcken bevinden wij dat anno 1561 D[ijckgraeff] ende H[oog] H[eemraiden] mit consent van de hooftinnegelanden in ’t waterschap genomen hebben de Zuytsijde van Lange Lynschoten mit Snodelrewaert, groot 773 margen. [Snodelrewaert ingenomen]

[Cattenbrouc etc. ingenomen] Van gelijcken dat anno 1560 in ’t waterschap genomen zijn Cattenbrouck, Rapijnen ende IJsselvelt, groot [fol. 10] 1097 mergen 50 roeden, mitsgaders de Zuytsijde van de Weypoort in Bodegraven, groot 880 margen 150 roeden [Suytsijde van de Weypoort in Bodegraven ingenomen]

[Osteynde van Waerder] Van gelijcken dat anno 1561 es innegenomen ’t Oosteynde van Waerder, groot 465 mergen 550 roeden, om mit eenen moelen te maelen in den Rijn, onder de contributie van een stuver opte margen, wesende voorgaende bij de gecommitteerden van de hooftingelanden ter plaetse geweest volgende het verbael daervan gehouden ende staende fo. 260verso.

[Enge ingenomen] Dat oock anno 1578 es innengenomen de Enge omtrent Montfoort mit 300 mergen, mits contribuerende mergen mergens gelijc.

[Westeynde van Waerder] Gelijck ooc in denzelven jare innegenomen es ’t Westeynde van Waerder, groot 700 mergen, om mit eenen moelen te malen in den Rijn onder de contributie van een stuver opte margen.

[Groote of Dijcsluys ter Goude] Anno 1575 es op ’t versouc van de Gecommitteerde Raden van de Admiraliteyt geordonneert in den IJsseldijc bij, aen off omtrent der stede van der Goude geleyt te werden een sluyse, wijt 28 off 30 voeten, mit een culc om daerdeur t’allen tijden des noot zijnde zoe cromstevens als andere gelijcke schepen ter oorloge dienende uyt ende inne te mogen brengen, ende zijn de hoogeheemraiden van Rijnlandt, Delfflandt ende Schielandt tot de vorderinge vandien specialicken gecommitteert mit aucthorisatie om de penningen ende oncosten daertoe nodich te vinden ende ommeslaen over de landen van Rijnlandt, Delfflant ende Schielandt, de landen boven der Goude aen de noortzijde van de IJsele, mitsgaders over de landen van Woerden ende die zijluyden bevinden ende verstaen zouden zoe in heure uytwateringen, waterlosingen off watertochten ende anderssints bij dezelve sluys geprofiteert te mogen [fol. 11] werden, volgende de apostille van date den 20en january 1575, in ’t bouc B fo. 165.

‘Twelc dusverre geseyt zij nopende ‘tgunt wij uyt de stucken ende papieren van der stadt hebben cunnen bevinden, zoe de waterlosingen opter IJssele als van ’t innecomen van de landen vanouts ter IJssele uytgewatert hebbende in de voorleden jaren gepasseert te zijn. Ende belangende ‘tgunt in ’t vorder op ’t eerste poinct, te weten off Rijnlandt deur de voorgenomen diepinghe ende verwijdinghe zal werden gebaet ende hoeverre?, zal dienen in ansieninghe genomen, achten wij dat bequaemst zal vallen naer wij de gelegentheyt alles zullen hebben gesien ende ondersocht.

[2o. nopende de subsidie] Ende hoewel daeraen ooc sal dependeren ’t wechnemen ende uyter weech leggen van het twede poinct, te weten wat subsidie ende onderstant daervooren behoirt te werden innegewillicht, soe achten wij nochtans niet ongeraden daerover ooc preparatoirlicken alhier eenige openinge off anroeringe te doen, nopende ‘tgene wij uyt de voorscreven papieren hebben connen werden onderrecht, als ons latende beduncken dat men bevindende eenich voordeel, den heeren van Uytrecht, onse goede vrinden ende mede-verbontten, ende zonderlinghe die van der Goude, onse goede vrunden, nairgebuyren ende mede-lithmaten, tot volvoeringhe van zodanighe hare heerlicke voornemen geen subsidie en zal connen off behoiren te weygeren, mer vruntlicken te bewillighen, mits dat die sal werden geproportineert naer ’t voordeel off baet daeruyt te consequeren.

‘Twelck om redenen hiervoren angeroert in allen gevalle niet en can werden verstaen dan over de 2875 mergen tot de Mallesluyse gecontribueert hebbende, gesamentlicken over alle de innegenomen landen die ’t voorgenomen [fol. 12] werck ten besten (als te verhopen es) geluckende, tot haer voorgaende wesen, aert ende gelegentheyt weder gebracht zullen connen werden.

Want dat men zulcx soude willen trecken over alle de landen jegenwoirdich onder ’t waterschap van Rijnlandt gelegen en connen wij (om rondelicken ende op zijn Hollandts te spreecken) niet verstaen wat reden het soude zijn dat men daermede belasten zoude sodanighe landen die deur der IJsele in der eewicheyt niet gebaet en zijn geweest noch gebaet en connen werden.

Alsoe het geen waerschijnicheyt ter werelt en heeft dat ’t lant van Rijnlandt, hebbende zoe overgroten bosem ende mit zoeveele wateren bezwaert, in der eewicheyt zijn water zal connen loosen in der IJssele, mer zullen als hem haer oude waterlosingen van Sparendam (‘twelck God verhoede) zouden mogen comen te ontbreecken, of nyet genouchsaem te connen helpen off voldoen, genootdruct zijn elderswaer raet ende hulpe te soucken, daer zij ’t veel nutter ende nairder verzeeckert zijn, mits de prouve die daervan deur de zonderlinge vlijt, naersticheyt ende opsicht der heeren heemraiden rechts voor ’t begin van de jegenwoirdige beroerten gedaen ende goetgevonden es.

Hyerbij comende dat indien men volgende ’t versouc van de heeren van Uytrecht mit haer gevouchden dezelve 10 stuvers opte margen in ’t gemeen zouden innewillighen, men in effecte zoeveel soude geven als alle de innegenomen landen tot noch toe ten hoochsten hebben gecontribueert off opgebracht, blijckende bij den staet hier innegelijft:

[Sij geleth dat in desen es gereeckent tot 1594 incluys]

De polder van Zwadenburgerdam anno 1494 alsvoren innegenomen mit 561 margen heeft gestadich gecontribueert mit drie groten, facit 2430 gulden 8 stuvers.

[fol. 13] De 2625 morgen van Reewijc ende andere landen innegenomen anno 44 hebben zedert in als gecontribueert opte margen 9 gulden 13 stuver 6 penningen, comende te bedragen 25.283 gulden 15 stuvers 10 penningen.

De 773 margen van de Lange Lynschoten ende Snodelrewaert innegenomen anno 61 hebben zedert in als gecontribueert opte mergen 8 gulden 3 stuver 10 penningen, comende in als 6324 gulden 2 stuver.

De 1972 margen twe hondt in Cattenbrouck ende an de Zuytsijde van de Weypoort innegenomen anno 65 hebben zedert in als gecontribueert opte mergen 7 gulden 16 stuver, comende in als te belopen 15.420 gulden 12 stuver.

’T Oosteynde van Waerder ingenomen anno 71 met 465 mergen 550 roeden heeft zedert gecontribueert mit 1 stuver, facit 23 gulden 5 stuver 12 penningen, comt over 23 jaren 536 gulden 13 penningen.

’T Westeynde van Waerder innegenomen anno 1578 mit 700 mergen, heeft zedert gecontribueert mit 1 stuver, facit 35 gulden, comt over zestien jaeren 560 gulden.

Ende de Enge innegenomen anno 1578 mit 300 margen, heeft zedert gecontribueert in als 6 gulden 2 stuvers opte margen, compt tsamen 1830 gulden.

Invougen dat alle de contributiën belopen in eender somme 56.592 gulden 8 stuver 7 penningen. Alles behouden nairder reeckeninge.

‘Twelck bij ons hyer gestelt zijnde nyet omme de zaecke te difficulteren off om ’t consent bestaende in de goede gonste der hooftinnegelanden te verhinderen mer om te dienen tot onderrechtinghe zoewel van ons als van andere daer ende zulcx des zal behoiren, wij bidden, [fol. 14] begeren ende versoucken dat ons ten besten werde affgenomen.

[Schorssinge van de visitatie in martio 1595] Ende in sulcker vougen als voors. es, ons totter reyse tevoren bereyt hebbende omme ons ten voorbescheyden 29en marty tot Uytrecht te laeten vinden, zijn opten 27en marty brieven gecomen van de gedeputeerden van de Staten van Uytrecht, addresserende aen schoudt, burgermeesteren ende regierders der voors. stadt Leyden, geschreven t’ Uytrecht den 16en marty 95 stilo veteri, innehoudende dat hem uyt het rapport van joncheer Gerard van Renesse, heere ter Aa, eerste burgermeester der stadt Uytrecht, zeer angenaem was geweest te verstaen dat de voorn. van Leyden omme zeeckere kennisse te mogen crijgen van het profijt dat de quartieren van Rijnlandt in der IJssele uytwaterende bij der verdiepinghe van derzelver IJssele zouden hebben te verwachten, eenighe gecommitteert hadden, die beneffens de voornomde van Uytrecht haer in loco zouden begeven omme inspectie oculaer te nemen, perfecte chaerte te maicken ende dat den dach omme binnen Uytrecht te wesen anbestemt was op woonsdage doen toecomende, mer alsoe hare Edele ’s daichs te vooren genootsaect waren geweest de brugge in ’t Geyn te doen stoppen omme aldaer te beletten den vorderen inloop van de wateren die doen door den inbrec van de Leckendijck [mits den inbrec van de Leckendijc] omtrent Langerac in der IJssele zeer abondant ende hooch waren, zulcx dat genouchsaem alle de verlaten, sluysen, duyckers etc. doen ter tijt in de IJsele onder ’t water stonden ende dat men overzulcx de gelegenheyden ende effecten van de voorschreven uytwateringe niet bequamelic en soude connen zien voordat den voorschreven deurgebroocken dijc weder gestopt ende ’t water in der IJssele weder op zijn gewoonlicke peyl [fol. 15] gecomen soude zijn, zoe hadden haer Edele niet willen naerlaten den voornomden van Leyden van alle ‘tselve bij eenen expressen bode te adverteren, mit vruntlic versouc dat de voornomde van Leyden zouden gelieven haer gedeputeerden vaerdich te houden tegens dat ’t water invougen voors. in der IJssele gevallen zoude sijn, ‘twelck haer Edele verhoopten dat onlang zoude wesen, angemerct men naerstich besich was om den voorscreven innegebroocken dijc wederom te stoppen, daervan zijluyden den voornomden van Leyden terstont zouden adverteren. Mits welck schrijvens onse reyse verhindert ende geschorst zijnde, es [2e versouc in augusto 96] de voorschreven zaicke seeckeren tijt in rust ende stillicheyt gebleven, zonder daer yets inne te vorderen tot in augusti des jaers 1596 ten welcken tijde de gedeputeerden van Uytrecht ende van der Goude den tienden desselffs maents weder gecomen zijn binnen deser stadt Leyden, dewelcke insisterende op haer voorgaende versouc, was hem ter antwoorde gegeven dat hem de gedeputeerden deser stede teneynde alsvooren zouden vaerdich houden jegens zodanigen tijt als zij souden werden bescreven, mits daervan tijdelicken te vooren verwitticht zijnde.

[Bescriving in februario 97] Dienvolgende zijn in februario 97 binnen Leyden brieven gecomen van den 12en, gescreven bij burgermeesteren ende regierders van der Goude, teneynde de voorschreven gedeputeerde der stadt Leyden jegens zondage den 16en february doen toecomende t’savonts teneynde voors. ter Goude zoude werden geschict indien den oostenwint bleeff continuerende.

[Rescriptie van Leyden 14 feb. 97] Waerop bij burgermeesteren van Leyden den 14en february 97 in effecte geantwoort es de gelegentheyt nyet te hebben omme haer gedeputeerden derwaerts te [fol. 16] schicken, ooc dat zij den tijt ongelegen vonden om zodanige inspectie bij der hant te nemen, zoe om ’t wintersaeysoen als om de anperssinge van de wateren door den oostenwint veroorsaect, versouckende daertoe eenen anderen tijt te werden geraemt ende preciselicken voorgestelt ‘tsij binnen drie weecken off een maent ten langsten, ende daervan verwitticht te zijn omme haer gedeputeerden daertegens vaerdich te doen houden.

[2e bescriving van der Goude] Denwelcken nyetjegenstaende hadden de voorschreven van der Goude bij haer brieven van den 16en february gescreven dat de gedeputeerden van Uytrecht aldaer in competenten getale waeren angecomen, ende versocht dat de voors. gecommitteerde deser stede hem op dynsdage den 18en doen toecomende jegens de middach zouden laten vinden tot Alphen in de herberge van mr. Matheus [van Heyningen?] off zoe sulcx ongelegen waer, dat ‘tselve aldan op woonsdage daeraen mocht geschieden.

[2e beantwoordinge van die van Leyden] Op welc schrijvens de voors. van Leyden bij haer brieven van den 17en ter antwoorde hadde gegeven, dat zij hem ongetwijfelt hadden laten voorstaen off de onschult ende excuse bij vorige missive gedaen en soude in ’t goede angenomen hebben geweest, ansiende ’t ontijdelicke saeysoen des jaers, de gestadigen oostenwint ende de grote anperssinge van water ter IJsselwaert, veroorsaeckende een geheele ongelegentheyt an sodanigen besoinge, daertoe zij in zodaniger yel versocht waren, ter hant te nemen overmits die niet en souden connen geschieden zonder daertoe te gebruycken peylinge van verscheyden wateren, sluysen ende sluystochten, zoe in de brede als in de diepte, die de voornomde van der Goude wel conden verstaen dat onmogelic zoude sijn mits de grote ongelijcheyt in der hoochden van de wateren deur den oostenwint gecauseert, te connen werden gedaen; hadden daerom ernstelic [fol. 17] gebeden dat de voorgeroerde excuse in naerder bedencken, ’t besoinge voor noch een tijt uytgestelt ende daertoe een beter saeysoen verwacht soude werden, daertoe niet onbequaem, ramende ’t midden van de toecomende maent marty, jegens welcke tijt eenighe van Leyden, die overlange daertoe waren gecommitteert geweest (desommighe van dewelcke doen nyet gedisponeert en waren in zodanigen coude sulcken reys aen te nemen) zich souden gereet houden ende opten 16en marty des avonts laten vinden ‘tsij dan tot Uytrecht, ter Goude off elders daer ’t zulcx de voornomde van der Goude gelegen zijn ende goetduncken zoude, ‘twelc indien zij hem lieten bevallen, zouden binnen 14 dagen daerop verwachten scrijvens waer de tsamencompste bequamelicxt zoude mogen werden geleyt.

[Missyf van Leyden van den 12 marty 97] Alsoe nu de voornomde van der Goude binnen de voorgeroerde veertien dagen geen antwoord en zonden, zoe hadden de burgermeesteren ende regierders van Leyden opten 12en marty aen die van der Goude gescreven dat zij vastelicken waren geresolveert om volgende haer voorgaende scrijvens heur gedeputeerden jegens den 16en marty des avonts aldaer te schicken ende ’t besoinge ’s daechs daeraen bij der hant nemende, de anwijsinge bij hem beneffens den heeren gecommitteerden der stadt ende ’s lants van Uytrecht te doen andachtelicken te zyen ende getrouwelicken te verbaliseren teneynde de voors. van Leyden haerluyder rapport gehoort daerop haer stemme ter vergaderinghe van de hooftinnegelanden van Rijnlandt favorabelicken hadden mogen formeren, mer alsoe de opgecomen vorst verhinderende de peylingen ende ‘tgunt vorder in zodanigen besoinge notelicken vereyscht werde, ‘tselve ganschelicken niet toe en liet, zoe hadden zij denselven dach moeten [fol. 18] schorssen ende ophouden tot een ander bequamer ende gelegener tijt, dewelcke zij onder ’t behagen van de voors. van der Goude ende omme de zaecke niet op te houden, mer voor zoeveel in hem was te verhaesten, genomen ende geraemt hadden den 30en der voors. maent marty, jegens welcken dach zijluyden haer gedeputeerden des avonts aldaer ontwijfelic zouden schicken, tenwaer dezelve van der Goude van anderen goetduncken zijnde, hem beter ende bequamer tijt ende plaetse middelertijt verwittichden, daernaer zij hem ende den haren souden hebben te rechten.

[3e bescrijvinge van der Goude 12 marty 97] Mer alsoe terstont naer ’t affvaerdighen van de voorscreven brieven de voornomde van Leyden deur brieven van de voornomde van der Goude, ten selven dage gescreven, werden verwitticht dat zij ’t schrijven van die van Leyden om hem tot vordernisse van de voorschreven inspectie den 16en marty binnen der Goude te laeten vinden den Heeren Staten ’s lants van Uytrecht hadden gecommuniceert ende bij dezelve bericht waren dat de gedeputeerden van Uytrecht hem ten zelven voorgestelden tijde aldaer zoude laten vinden ende begeerden dat de gedeputeerden van Leyden denselven dach ooc zoude waernemen ende dat zij dezelve mit den voornomden van Uytrecht des avonts in de herberge van ’t Herthuys aen de Marct tot de wedue van Aert Gijsbertsz. Bockenberch zouden verwachten.

[Beantwoordinge van Leyden 12 marty] Soe hadden de voornomde van Leyden daerop ten zelven dage gescreven dat zij niet laten en souden haer gedeputeerden ten voorgestelden dage ter Goude te schicken ende mitderdaet te betogen hare goede genegentheyt tot de voorn. van der Goude ende den heeren van Uytrecht ende de bevorderinge der voorgenomen zaecken.

[Scrijven van der Goude 13 marty] Welcke twe brieven de voornomde van der Goude bij de hare van den 13en marty hebben beantwoort mit verclaringe dat [fol. 19] zij den gedeputeerden van Leyden ten voorgestelden dage zouden verwachten omme ’t voorgenomen besoinge ‘sdaechs daeraen bij der handt te nemen.

[2e en naerder commissie] Alle ‘twelcke bij de voornomde gedeputeerden dien van de Gerechte der voors. stadt Leyden tot daertoe gecommuniceert ende voorgestelt zijnde, mit een versouc teneynde dezelve gelieven soude gesamentlicken te delibereren, resolveren ende den voornomden gedeputeerden belasten hoe zij hem in desen souden hebben te gedragen, es bij hem goetgevonden dat de voorn. gedeputeerden de comparitie waernemen ende alle ‘tgeen hem bij de heeren van Uytrecht ende van der Goude zoude werden vertoont mit goeder andacht zien anmercken ende pertinentelicken mit goeder distinctie ende onderscheyt van mate, zoe hoochde, diepte ende andere ommestandicheyden bij gescrifte stellen ende verbaliseren zullen omme t’ harer wedercompste, heurluyder rapport ende wedervaren gehoort, nairder te werden gedelibereert ende geresolveert wat in desen van deser stede wegen vorder zal dienen gedaen om te comen tot gehele ende volcomen kennisse ende onderrechtinge van alle gelegentheyden wat ende hoevele canalen off waterlosingen van de noortzijde uyt Rijnlandt in der IJsele comen?, de wijde ende diepte vandien? mitsgaders van de sluysen in den voorscreven IJseldijc leggende, de hoochde van de landen ten wederzijden van zodanige waterlosingen gelegen?, wie?, wat? ende hoeveel landen? ende hoeverre daerbij gebaet zijn?, hoeveel polders hun water daerop zijn malende ende werpende?, de wijde ende diepte van ’t canael van de IJsele daerbeneffens?, hoe hooch ende laech de vloeden ende ebben daeromtrent gewoon zijn te rijsen en dalen?, mit andere diergelijcke ommestandicheyden die de voorgenomen saicke angaende in insichte ende consideratie dienen genomen ende dat dien niettemin de voors. gedeputeerden de voornomden van Uytrecht ende van der Goude sullen hebben te verclaren dat de [fol. 20] meninghe van die van de Gerechte geweest es, op alle ‘tgunt voorschreven es, deur heur gedeputeerden naerstich ondersouc te doen doen ende miteenen den loop van ’t canael van der IJsele behoirlicken te doen affmeten, caerteren, ‘twelc alsoe mit de jegenwoirdige gelegentheyt van coude ende vorst niet bequamelicken en sal connen werden gedaen, zij daermede voor alsnu ophouden ende alleenlicken alsvooren assisteren zullen tot de anwijsingen die bij hem zullen werden gedaen, mit een anseggen dat indien de voorn. van Leyden het rapport van haer vers. gedeputeerden gehoort, noch in dezelve opinie blijven, zij ‘tselve mitten eersten ende noch voor de anstaende vergaderinge van de hooftinnegelanden zullen doen bij der handt nemen ende voltrecken ende dat zij der meeninge zijn den voornomden van Uytrecht ende van der Goude daervan tijdelicken tevooren te doen verwittigen teneynde haer Edele eenige uyten heuren daerbij zoude mogen vougen indien ’t hem goetdocht, mit last dat hem de voornomde gedeputeerden naer de voorschreven resolutie zullen hebben te gedragen, ‘twelc zulcx gedaen es den 14en marty 97.

Opten 16en marty 1597 zijn wij, Pieter Adriaensz. van der Werff, Symon Fransz. van der Merwen ende Jan van Hout, des mergens omtrent ten halff tien uyren mitter wagen gereden uyt Leyden naer der Goude ende gecomen zijnde achter Haserswoude lieten wij ons brengen tot Boscoop om de wijde ende diepte van de brugge over de Gouwe leggende, in der chaerte geteyckent mit A, te meten [Boscoper brugge], ‘twelck doende hebben bevonden dat deselve brugge tusschen beyde de jucken aen de palen mit een staende mate metende ende niet aen de schoeyplancken, wijt was om water te mogen loosen 23 voeten 10 duymen zes greynen Rijnlantsche mate, al aen twaelven verdeelt, gelijc wij doorgaende in dit besoinge voorhebben te gebruycken [Mate in desen alom gebruyct], dat het water (‘twelc naer der Goude zeer uytliep) diep was van de superficie [fol. 21] of vlacte aff te meten vijff voeten tien duymen, ende was tusschen dezelve superficie ende den ondercant van de westersche oversteeckende sloof, hoochde van 9 voeten tien duymen zes greynen, ende alsoe de voors. brugge twe jocken heeft, hebbende daerbuyten ooc licht, ‘twelc men in tijden ende wijlen ooc zoude mogen doergraven ende daermede de waterlosinge vermeeren, hebben wij de maet ooc geleyt op ‘tselve licht en bevonden het westersche gat ter wijde van zes voeten tien duymen ende ’t oostersche gat van zeven voeten vijff duymen zes greynen.

[Waddingveenre brugge] Van daar voortsvarende naer Waddincxveen zijn ofgetreden ende gegaen tot opte Waddincxveenre brugge over der Gouwe leggende, in de chaerte geteyckent B, om alsvoren de maet daerop te leggen, ‘twelc doende bevonden dat die twe gaten off losingen hadde, wijt ’t middelste off principaelste alsvooren gemeten, twe roeden drie duymen, ende ’t westergat acht voeten elff duymen, wesende ’t oostergat gestopt ende mit aerde angevolt, invougen dat daer in als licht es om te loosen twe roeden negen voeten twe duymen, dat deselve brugge diep was van de vlacte des waters zeven voeten negen duymen ende van daer hooch tot den ondercant van de twede oversteeckende noorderbalc acht voeten zeven duymen.

Sijn van daer voortsgevaren opter Goude, daer wij quamen tusschen vier ende vijff uyren, ons logys nemende (volgende ’t schrijven van de heeren van der Goude) in ’t Hertenhuys, sijn aldaer onlancx mede gecomen [Gecommitteerden van Uytrecht] joncheer Geraerdt van Renesse, heere van der Aa, Allert van Helften, burgermeester, ende joncheer Jacob van der Maet, schepen der stadt Uytrecht, mitsgaders [Burgermeesteren van der Goude] Dirck Jansz. Lonc, Maerten Janszoon Moel, Geryt Corneliszoon de Lange ende Henric Willemszoon Verbrugge, burgermeesteren, dewelcke ons verwelcomende ende geselschap houdende, zijn in den avont gescheyden mit een anseggen [fol. 22] dat wij ons ‘smergens ten acht uyren zouden laten vinden op ’t Raidthuys.

Volgende welc afscheyt zijn wij opten 17en marty goetstijts des mergens gegaen op ’t Raidthuys ende in vergaderinghe van burgermeesteren beneffens de voornomde gecommitteerden van Uytrecht toegelaten, ende ons affgevraecht zijnde hoe wij ’t besoinge daerom wij gecomen waren [Openinge van onse last] dachten bij der handt te nemen, hebben hemluyden (volgende onse last) geopent dat die van Leyden, onse principalen, in ’t eerst van meninghe waren geweest de hoochten van de landen ten wederzijden van de … [blanco gelaten] ter IJselwaert uytlopende canalen te peylen ende van gelijcken de diepte, wijte ende hoochte van de sluysen of duyckers ende van de voors. canalen mitsgaders van der IJsele daerbeneffens, mer zoe sij de jegenwoirdige gelegentheyt des tijts zoe ten opsicht van de vorstcoude ende gelijcke beletselen daertoe onbequaem hadden geoordeelt ende ‘tselve tot beter gelegentheyt hadden gereserveert, hadden ons alsnu niet vorder gelast dan wel toe te zien ende naerstich oochmerc te nemen op alle ‘tgeen ons, ‘tzij bij de heeren van Uytrecht off van der Goude souden werden vertoont, ‘tselve in behoirlicke ordre bij geschrift te stellen ende hem van alles t’ onser wedercompste getrou rapport te doen teneynde dezelve onse principalen van onse wedervaren verstendicht ende onderrecht zijnde, naerder onderlinghe mochten beraden ende besluyten of zij de vorder peylingen verstonden gedaen te hebben? ende hoeverre? Daervan wij den voornomden heeren van Uytrecht ende van der Goude openinghe deden, dat de meeninge van onse principalen zulcx zijnde, ‘tselve bij der hant genomen ende noch voltrocken zoude werden voor de anstaende vergaderinghe der hooftinnegelanden, dewelcke op des rentmeesters reeckeninghe vallen zoude in Den Hage maendage [fol. 23] naer Beloocken Paesschen eerstcomende, daervan wij in dien gevalle den heeren van Utrecht ende van der Goude ooc tijdelicken tevooren gedachten te verwittigen om yemant van den heuren daerbij te vougen indien ’t hem goetdochte.

Ende daermede vertreckende, teneynde hem de voornomde heeren van Utrecht ende van der Goude daerop zouden bespreecken ende beraden, es ons angeseyt dat wij ons vaerdich souden houden jegens tien uyren omme aen te zien ‘tgeen ons bij de voornomde van der Goude zoude werden angewesen.

[Laechste ebbe] Ende zulcx verbeydende tot over halff elff uyren, ten welcken tijde het laechste ebbe was, hebben ons geleyt tot opte grote sluyse voor de Dijcpoort, in de chaerte geteycken mit C, [Vertooch van de grote sluyse] ende ons daer vertoocht den groten uytloop van de watere ter IJselwaert, dewelcke wij gewisselicken groot ende vehement hebben bevonden, te meer (ons bedunckens) omdat de sluyse in der stadt niet opgewonden en was, noch oock (zoe wij vermoeden) de Mallesluys, daeruyt wij ons lieten voorstaen dat beyde dezelve sluysen gesloten werden gehouden ende van gelijcken de voorleden dagen gesloten waren geweest om den uytloop aldaer te vermeerderen ende een groter schijn te geven, ende alsoe wij van ’t sluyten van de grote sluyse vermaenden, gaven burgermeesteren daerop ter antwoorde dat als men nyet en schutte off aldaer geen doervaert en was, dat de sluyse dan niet en werde gewonnen, mer belasteden strac ‘tselve te doen. Ende de mate leggende opte voors. grote sluyse hebbende de wijte dienende totter deurvaert ende waterlosinghe bevonden twe roeden drie voeten vijff duymen.

Van daer hebben ons de voornomde burgermeesteren van der Goude langs der chingele geleyt tot op Jan Cattenbrugge [Jan Cattenbrugge], comende voor de Potterspoort [fol. 24] over de Gouwe, in der chaerte geteyckent mit D, ende daer staende zagen dat ’t water oock loop ende losinge hadde langs derzelver stede vestgraften aen der oostzijde naer de Mallesluys, mer bleven evenwel in der opinie dat daer de voorleden dagen nyet en was geloost doordien dezelve vestgraften vast vol ijs lagen, gelijc ooc was in de haven, ‘twelc wij ons lieten voorstaen dat indien aldaer losinge waer geweest, gescheurt, gebroocken ende zoe wel wech geweest zoude hebben als an de westzijde daer geen ijs medallen werde gevonden.

[Mallesluys] Ende zulcx voortsgaende tot op de vers. Mallesluys, in der chaerte geteyckent E, zagen ooc dat deselve seer veel waters uytloosde deur een roede vier voeten drie duymen wijte die wij bij de mate daerop geleyt bevonden hebben.

[Binnensluys] Ende van daer gaende tot opte sluyse binnen der Goude, in de chaerte geteyckent F, hebben ooc daer eenigen uytgang bevonden, niet zoeveel als de voorgaende twe sluysen, zoe ten opsicht van de leggende schepen alsooc ende zonderlinge van de ancomende vloet, doer ’t opcomen van dewelcke ende het gelijcwerden van ’t buytenwater mit ’t binnenste, de sluysdeuren van de grote sluyse omtrent halff twe uyren, zo men ons zeyde, zoude toevallen, ende de mate leggende opte voors. sluyse hebben ’t licht van dien wijt bevonden een roede drie voeten drie duymen, invougen dat wij in als binnen of aen der Goude losinge bevonden hebben van vier roeden tien voeten elff duymen waters. [Wijde van de waterlosing ter Goude]

Ende verclaerden ons de voornomde burgermeesteren van der Goude, doende de voorgaende anwijsingen, dat gelijcke losinge ooc was door de Grote ende Cleyne Wiericken [Wiericken]

‘Twelc gedaen zijnde, zijn ter maeltijt gegaen ende naer de maeltijt mitten anderen in propoost tredende opte losinghe, vermaenden wij dat wij alsnoch niet en consten verstaen dat de anwijsinge ons [fol. 25] ten zelven dage gedaen, veel ter materie dienden ende wat vrucht de voorgenomen verdiepinghe ende verwijdinghe van de IJssele, die boven der Goude souden eynden, zoude connen doen in de losinge van de sluysen aen ende in der Goude, deur dewelcke Rijnlandt alrede zoeveel ende meerder waterlosingen hadden als hem de Gouwe (die wij achteden dat tot eenige plaetsen geen vijff roeden wijt en was) eenichsints mocht toebrengen, zoe in allen gevalle ’t water door de Goutschesluysen ende de bruggen van Boscoop ende Wensveen passeren moste, ende in dezelve propoosten zijnde slougen wij voor als een onwederspreeckelicke zaicke, [Dat ’t diepen de superficie of vlacte van ’t IJselwater niet en sal verlagen] dat offwel de IJssel een spiets off meer dieper ende zoeveel wijder gegraven werde als men conste off mocht, dat altijts de superficie of vlacte van ’t water blijven most in zulcken gestalt ende zoe hooch off laech als die nu ter tijt es.

Ende onder dese redenen stelden wij vooren ten opsichte van der waterlosingen de volgende drie poincten [Voorstellinge van drie poincten] die wij zeyden in recht ende redene vast te staen ende wij voor alle luyden van verstant gedachten te houden staen:

Ten eersten dat als ’t buytenwater hoger es dan ’t binnenwater, dat alsdan ’t binnenwater niet alleenlicken nyet en can losen, mer dat ’t buytenwater naer proportie van zijn hoochte zoude inneloopen indien ’t mit dijcken, dammen ende sluysen nyet en werde verhindert en gestut.

Ten tweden dat als ’t buytenwater ende ’t binnenwater van eene hoochde zijn, datter dan niet en loost, mer dat ’t een water jegens ’t ander staende blijft ende schut.

Ten derden dat zoe rasch ’t binnenwater een duym twe off drie, jae, een voet twe off drie hoger wert dan ’t buytenwater, dat dan ’t binnenwater nair de proportie van de meerder hoochte ende nyet verder loost ende uytloopt, [fol. 26] blijvende ’t onderste water ende ‘tgunt in ’t waterpas even hooch es jegens den anderen staende.

Welcke drie gestelde poincten bij niemant en werde wedersproocken dan bij de burgermeester Moel, wiens gevoelen was dat als ’t buytenwater hoger es het door zijn swaerte de onderste wateren beperssende in meerder quantiteyt uytdruct als ’t verschil van de hoochde ende nair de diepte van de sluysen bij vergelijckinge dat ’t verschil mer een duym zijnde, bij gissinge twe duymen dieper soude doen loosen ende van gelijcken een voet verschils zijnde, tenminsten twe voeten min off meer naer ’t verschil van ’t water tegen denanderen es, ende dat zulcx de opinie es van alle meestertimmerluyden in ’t wercken van de sluysen, te weten hoe zij die dieper maicken, hoe meer losende, zoe andersints de diepte vruchteloos ende nodeloos zoude sijn.

Daertegens wij seyden dat in ’t maecken van de sluysen de diepte van noode was ten opsicht van de deurvaert, mer ten opsicht van de waterlosingen dat geen duyckers (daertoe alleen dienende) dieper en behoufden te zijn dan ten hoochsten tot een voet beneden ’t laechste ebbe, ende dat de vorder diepte gansch onnut ende vruchteloos was, bestaende in de waen of opinie ende nyet in de waerheyt.

[Rijnland com aen den Ysseldijc niet] Vermaenden hemluyden ooc, ‘twelc zij schenen mit verwonderen te hooren ende daervan niet te weten, dat Rijnlandt geensints, ende de innegenomen landen mer eenichsints, aen den IJseldijc en waren raeckende, ooc dat den IJseldijc een gedeelte was van de ring van Amsterlandt [Wel Amsterland], gelijc wij hem mit vertoninge van de chaerte van Amsterlandt deden blijcken.

[Oorsaec van de losing opter Yssele] Ende voor zoeveel als anging de grote losinge van de watere de voorleden dagen aldaer opter IJssele geweest zijnde, ongelijc meerder als in lange voorleden jaren, zeyden wij dat veroorsaect was deur de gestadige oostewinden, die nu vijftien off zestien dagen aen denanderen, behalven daer te [fol. 27] vooren ooc veele oostewinden geweest waren, geweldich gewaeyt ende zulcx een holle zee gemaect hadden, zoedat de vloeden niet zoe hooch en hadden geweest als gewoonlic ende lager ebben gemaict, ‘twelc die van der Goude selffs bij haer brieven van den 12en desen ooc zulcx schijnen te verstaen, mit de woorden dat de gedeputeerden deser stede de bescrijvinge zouden waernemen indien den oostenwint bleef continuerende.

[Volle vloet] Jegens den avont omtrent halff zes uyren, wesende volle vloet ende ’t water op zijn hoochde, zijn wij beneffens de voornomde van Uytrecht ende der Goude weder gegaen opte grote sluyse [Grote sluyse] voor den Dijcpoort om peylinge te maicken van ’t buyten- ende binnenwater jegens malcanderen ende de mate daerop leggende bevonden de superfitie off vlacte van ’t IJselwater te wesen vier voeten een duym lager dan de bovencant van de westzijtmuyr van de sluys, gemeten vier off vijff voeten van de binnenste doeren, binnen de sluys, ende ‘tselve water dat binnen de sluyse stont deur de slenke zijnde doorgelopen, hebben de superficie off vlacte van ’t binnenwater onder de voors. bovencant bevonden op acht voeten negen duymen zes greynen ende dat van de gront van de sluyse tot den voorscreven bovencant toe in als hoochde was van zestien voeten vijff duym negen greynen, invougen dat de sluys van binnenwater diepte hadde van zeven voeten acht duymen drie greynen ende van IJselwater twaelff voeten vier duymen negen greynen.

Ende verclaerde de sluyswachter terselver tijt dat doen de vloet jegens de laetste ebbe verscheelde zeven voeten, daer die ’t getij daer te vooren mer vijff moeten [=voeten?] en hadde verschilt, ‘twelck (volgende zijn seggen) toegenomen was mits den oostenwint, zoeseer niet en waeyden als hij voorgaende hadde gedaen; ende daermede ons besoinge voor dien dach staeckende [fol. 28] begonstet te regenen ende stilde daermede de wint, evenwel oost blijvende.

[Uytboren van de cley; hierbij is een fraai tekeningetje van een schop met rondgebogen ijzeren blad] Opten 18en marty 1597 hebben ons de burgermeesteren van der Goude mit ende beneffens den voornomden gedeputeerden van Uytrecht vertoont de manier die aldaer voor eenige tijt es gevonden om harde ende vaste cley (die men mit baggernetten niet en weet op te crijgen) te boren uyten gront van de IJssele, ‘twelc gebeurde mit een instrument lang omtrent tien voeten, van de forme opte marge van desen gestelt, hebbende boven een hantvat off hilt, op ’t faictsoen van ’t hooft van een avegaer, onder mit ijser beslagen, in een halfront off halven circkel gebogen, allengskens engende, naer onderen toelopende; ‘tselve instrument steect den arbeyder mit gewelt ende zijn volle cracht in den gront zoe diep hij mach, ende ‘tselve gedaen hebbende draeyt hij ’t mit de hilt eens rontom ende trect dan op, latende de cley off ’t slijc uyt de gote nedervallen in ’t schip, ‘twelc mer ommegedraeyt zijnde, strac daeruyt valt ten opsicht het mer een halff ront es; vier personen (zo men ons zeyde) connen daermede in vijff uyren tijts (te weten van halff ebbe tot halve vloet) een double cleyschuyt vol maecken. Elc persoon mach in een uyr tusschen de dertich ende veertich reysen ophaelen, ende achten dat bij raminge de boor vol slijcx zijnde ’t slijc zouden mogen wegen omtrent de 40 ponden zwaerts.

[Grote sluyse] Ende wesende omtrent 10 uyren des mergens, hebben burgermeesteren van der Goude ons weder gebrocht opte voors. grote sluyse voor de Dijcpoort, vertonende dat ’t water, hoewel den wint noortwest was, daerdeur tamelicken afgang hadde, mer nieuwers naer als het ’s daichs tevoren was geweest, verclarende ons de sluyswachter dat het omtrent ten 2 uyren nairmiddage ’t laechste water zoude sijn.

[fol. 29][Reys naer Oudewater] Vorder hebben de voorn. gecommitteerden van Utrecht mit de burgermeesteren van der Goude ons mit de wagen den IJsseldijc langs gevoert nair Oudewater om ons te vertogen de vorder waterlosingen uyten Rijn tot in der IJssele comende ende daerinne uytlosende mit de werckingen vandien.

In ’t uytvaren zagen wij dat alle ‘t ijs uyt de vestgraften was, ‘twelc ’s daichs tevoren noch daerinne hadde gelegen, daeruyt wij te vaster besloten dat voorgaende daer geen losinge en was geweest, mer dat ooc de Mallesluys gesloten was gehouden.

Ende mitter wagen rijdende langs den IJsseldijc passeerden:

[Sluysen in den Ysseldijc boven der Goude] Eerst de Blommendalersluys dicht aen der Goude comende, geteyckent mit de letter G.

Ten tweden de Alphenresluys, in der chaerte geteyckent mit H.

Ten derden de Reewijckersluys, in der chaerte geteyckent I.

Ten vierden de Willensche sluys, in der chaerte geteyckent K.

Ten vijffden de Sluypwijckersluys, in der chaerte geteyckent L.

Ten zesden de Steynsche sluys, in der chaerte geteyckent M.

Ende ten zevenden de Oucopersluys, in der chaerte geteyckent N.

Van alle dewelcke wij geen peylingen gedaen en hebben ten opsicht geene van dien (zo men ons zeyde) uyt den Rijn water trecken, mer meest off haer bosemwater off ’t binnenlants water in der IJssele uytlosen.

[Cleyne Wiericken] Ende gecomen zijnde tot de Cleyne Wiericken, in der chaerte geteyckent mit O, hebben dezelve wijt gevonden veertien voeten, ende dat de superficie of vlacte van ’t water beneden de noortboge van de sluys lach vier voeten vier duymen tien greynen. Vorder dat ’t water opte slachbalc voor aen de zuytsijde van de sluys diep was vier voeten drie duymen drie greynen, verclarende de sluyswachter dat op gisteren ’t water aldaer op ‘tzelffde getij wel een halve voet lager zoude geweest hebben.

Ende van daer voortsgaende naer de Double [fol. 30] Wiericken, ‘twelc men nompt Goe Jan Verwellensluys, in der chaerte geteyckent P, [Double Wiericken] bevonden dat de Langeweysche bosemsluys, in de chaerte geteyckent Q, gesloten stont.

Ende de mate leggende opte wijte van de sluyse der voorscreven Double Wiericken bevonden dezelve wijt tusschen de voordeuren veertien voeten twe duymen zes greynen ende de diepte van de sluys metende, bevonden dezelve van den bodem tot het bovenste van ’t steenwerc aen der oostzijde, ‘twelc mit blaeu steenen es bedect, hooch te wesen in als negen voeten negen duymen, ende dat de superficie off ’t vlac van ’t water beneden de voors. platinge doen was vier voeten vier duymen, zoedat ’t water in de sluyse diep was vijff voeten vijff duymen. Ende verclaerde de sluyswachter dat ’s daechs tevooren tien duym minder waters in de sluyse geweest was, ‘tselve bewijsende aen de toontgens van ijser die doen gelijcke water gestaen zouden hebben.

Vorder lieten de schotdeur van de sluyse nederschieten ende ontrent een halff uyr daernaer verbeydende, verclaerde de sluyswachter dat het water al gevallen ende op zijn laechste was ende daernaer ’t water ten beyden zijden stillestaende, peylende, werde de schotdeur hooch bevonden boven ’t binnenwater een voet vier duym zes greynen ende ’t IJselwater was laech beneden de schotdeur een voet elff duymen, invougen dat doen aldaer op ’t laechste ebbe waterlosinge was van zes duymen zes greynen.

Ende seyden eenighe van de ommestanders dat indien men de schotdeur noch een uyr gesloten hadde gehouden, dat het binnenwater noch bij eenen halven voet zoude verhoocht hebben, daer andere van de ommestanders ooc tegen zeyden.

Hebben vorder de vlacte van ’t water ter voors. plaetse, die mit blaeu stienen was gedect, mit de voors. gesloten sluyse weder afgepeylt ende ’t buyten- of IJsselwater beneden dezelve platinge bevonden op vier [fol. 31] voeten zes duymen zes greynen, invougen dat ’t water diep was vijff voeten twe duymen zes greynen. Vorder de voorschreven ommestanders vragende off daeromtrent eenige meer wateringen waren, comende uyten Rijn in der IJssele?, gaven ter antwoirde: geen ander dan de Lijnschoten, daerinne ’t water uyt den Rijn zoe sij seyden soude vallen mit twe bruggen, d’een boven, d’ander beneden Woerden, ende hadden een sluyse t’ Oudewater in de stadt omtrent de Lijnschoterpoorte, mer vouchden daerbij dat die nimmermeer opter IJsselen uyt en waterden, wel altemets eenich water innelieten, ‘twelc bij de burgermeester Moel gehoort, verclaerde daerop dat ‘tselve toequam mits ’t verhogen van den gront van der IJssele.

[Lijnschotersluys] Voorts reysende naer Oudewater, passeerden eerst de Heeckendorpschesluys, in de chaerte geteyckent R, ende daernae de Brouc- ende Papecopersluys, dicht aen Oudewater gelegen ende ter IJsselen uytcomende, westwaerts van de beer in der chaerte geteyckent S, welcke twe sluysen wij om redenen voors. (als geen gemeenschap hebbende mit den Rijn) niet en hebben gepeylt.

Mer hebben de voornomde van Uytrecht ende van der Goude ons binnen Oudewater vertoont de Lijnschoter- of Woertsche sluyse, gelegen aen de Haven, staende (zo men ons seyde) ter schouwe van die van Woerden ende in de chaerte geteyckent mit T, ende hebbende drijvende doeren om ’t water van de IJsele daermede te schutten off daerop te loosen.

Ende de maet daerop leggende, hebben de voorschreven Lijnschoter off Woertse sluyse bevonden op elff voeten drie duymen wijtte ende hooch van zijnen gront off bodem in als negen voeten acht duymen ende van de superfitie off vlacte van ’t water tot aen ’t onderste van de booch vijff voeten elff duym, invougen dat de diepte van ’t water binnen ende buyten gelijc zijnde was drie voeten negen duymen, welcke peylinge bij ons gedaen es op ’t laechste ebbe, ende dat [fol. 32] de sluyse begonst water te trecken ende van de IJssele inne te laeten, zulcx dat deselve in ons bijsijn gesloten werde door den sluyswachter, die ons verclaerde dat dezelve sluyse nimmermeer open en ging dan bij oostewinden ende alsser al oostewinden waeyen dat zij ooc nimmermeer op en ging als de molens hun water opter IJssele opwerpende in ’t maelen waeren.

‘Twelc ons invougen voors. vertoont ende verclaert wesende zijn wij wedergekeert naer der Goude ende gecomen zijnde op de Oucopersluyse, verclaerde ons [Oucoper wetering] de sluyswachter dat de Oucoper weteringe niet doorgaende en was tot den Rijn toe ende zulcx mit den Rijn geen gemeenschap en hadde.

Vorder heeft ons de burgermeester Moel onderwegen zijnde aenwijsingen gedaen van alle de boesems ende canalen onderwegen opter IJssele losende, die wij hyervoren hebben gestelt, verclaerde ons in ’t vorder dat ’t lant van [Heeckendorp] Heeckendorp aen den dijc quam tot aen de Grote Wiericken, dat deselve gepasseert zijnde volchde de heerlicheyt van Steyn [Steyn], ancomende die van der Goude, ende dat daeraen volchde ’t lant van Willens [Willens] tot aen der Goude toe, ende nopende de landen daerachter gelegen, dat Sluypwijc was comende achter de landen van Willens ende Steyn ende de Ruyge Weyde achter Heeckendorp.

[Cley deur de sluysen gevlet] Onderwegen zijnde heeft ons de burgermeester Moel vertoocht dat opte caden van de Oucoper weteringe mitsgaders van de Reewijcker weteringe menichte van cley was leggende, aen de Reewijckerweteringe in de meeste menichte, ende verclaerde ons dezelve burgermeester dat deselve cley daerop was gevlettet deur de huysluyden uyt der IJsele mit ’t openstaen van dezelve sluysen ende zulcx ten tijde dezelve opter IJsele water loosden, zonder dat deselve Oucoper off Reewijcker weteringen boosems zijn off dat eenige moelens daerop waeren malende.

[fol. 33] [‘t 3e poinct van ons voorstelling mit limitatie bewillicht] In ’t vorder mit de voorn. burgermeester Moel alsvooren onderwegen in propoost zijnde nopende de poincten bij ons alsboven voorgestelt ende namelicken het derde poinct, verclaerde dezelve Moel dat hij dezelve derde voorstellinghe wel waer hielt, mer dat de superficie van ’t buytenwater most genomen zijn niet voor off omtrent de sluysen, mer in de mont van de zee, jae, ooc in de zee daer ’t water laechste es, ‘twelc (hij seyde) meerder te zijn dan de grond van de geleyde sluysen, invougen dat de losinge zes of acht duym zijnde, de geheele diepte van de sluysen ooc was losende ende uytlopende.

[Versouc van vorder anwijsinge] Opten 19en marty, wesende tsamen vergadert op ’t Raidthuys van der Goude in burgermeesterencamer, hebben wij den voornomden van Uytrecht ende van der Goude affgevraecht off haer Edele ons in ’t vorder eenige anwijsingen hadden te doen, mit een verclaringe dat wij ons vaerdich hielden dezelve mede te zien, daervan verbael te maicken ende getrou rapport te doen, gaven ter antwoorde: neen, ten waer aen de [Goutschesluysen] Goutschesluysen om ons daer te vertoonen dat alle ’t water ‘twelck deur de drie sluysen ter Goude uytwaterde, quam uyten Rijn ende vervolgende uyt de meeren, ons daerop affvragende off wij zulcx niet en hielden voor bekent?, op ‘twelck wij zeyden: jae, dat wij zulcx bekenden, uytgeseyt alleen zodanich water als deur de molens opter Gouwe hun wateren malende dagelicx werden uytgeworpen, ‘twelc ooc een gedeelte was van ’t water dat deur de voorschreven sluysen ter IJsselwaert uytlosende was, gelijc zij ooc ter goeder trouwen bekenden.

[2 Certificatiën bij die van der Goude verworven] Begeerden vorder die van der Goude dat wij twe certificatiën van harenwegen verworven lesen ende in onse verbael zouden laten insereren, ‘twelc wij gedaen [fol. 34] hebben ende waren van den volgenden innehouden:

[Insertie van de 1e certificatie] Compareerde voor mijn, Thomas Evertszoon Puttershouck, openbaer notaris, bij den Hove van Hollandt geadmitteert, ende de getuygen onder genomineert, den eersamen Jan Jan Aertsz., out vierendeveertich jaeren, Lucas Jansz., oudt drieendeveertich jaeren, Huybrecht Roelofsz., out vierendeveertich jaeren, ende Jan Jansz., out tweendeveertich jaeren, ofte elcx daerontrent, alle wonende ontrent de Goutschesluyse onder de jurisdictie van Alphen, ende hebben gesamender handt ende elcx van hem bijsonder ten versoucke van de heeren burgermeesteren der stede van der Goude bij heur consciëntiën ende mannen waerheyt in plaetse van eede verclaert ende geattesteert, verclaren ende attesteren bij desen warachtich ende hem deposanten wel kennelicken te zijn ende op huyden datum deses ende meer andere dagen, sijnde bijnae ontellicken veel, gesien te hebben dat het water comende uyte meeren in den Rijn wederomme uyt den Rijn bij een oosten ende andere bequame offgaende winden zeer overvloedich compt vallen ende offgaen door de gaten van de vers. Goutschesluyse in de Gouwe ende dat ‘tselffde hem zoe voorts door de sluysen binnen ende buyten der stede van der Goude in de riviere van der IJssele is exonerende, daerdoor de landen van over Rijn leggende boven de voors. Goutschesluyse in heure waterlosinge zeer gevordert worden ende oock desen lopenden jare merckelicke quantiteyt van water uyten Rijn door d’voors. Goutschesluyse geloest hebben en quyt geworden zijn, jae, dat bij veel affgaende tijen ende starcken oostenwindt het water in de Gouwe zoe starck ende geweldich affvalt dat de gaten van de voors. Goudtschesluyse ’t grote water vallende uyten Rijn in de [fol. 35] Gouwe nyet al bequamelicken verswelgen en mogen, zoedat men oock opentlicken can sien dat de Goutschesluys noch water es schuttende. Alle ‘tgunt voors. staet verclaerden d’voors. deposanten warachtich ende hemluyden zeer wel bekent te zijn, bereyt t’allen tijden des versocht zijnde sulcx wettelicken in handen mijns notary stipulerende ‘tselffde bij eede te starcken; versouckende aen mijn, notaris, een ofte meer openbare acten hieraff gemaict ende d’ voors. requiranten gelevert te werden in debita forma. Aldus gedaen ten huyse van Dirck Janszoon, staende aen de Goudtschesluys, present den voornomden Dirck Jansz. ende Jacob Janszoon, beyde in de vers. jurisdictie van Alphen wonende, als mannen met eeren ende getuygen waerdich van gelooff met mij notaris hyertoe versocht ende gebeden. Actum desen laetsten february 1500zevenendetnegentich. Onder stont: In kennisse dat ‘tgunt vers. is voor mijn notaris ende getuygen bovengenomineert alsoe gepasseert is, hebbe dese acte daervan geëxpedieert ende onder mijne gewoonlicke signature uytgegeven ex offitio daertoe gerequireert, ende was geteyckent: Th.E. Puttershouck notaris subscripsit.

[Insertie van de 2e certificatie] Ic Claes Philipsz. van Leeuwen, schoudt in den ambachte van Alphen, doe condt eenen ygelicken dat voor mijn ende twe getuygen onder genomineert gecomen ende persoonlicken gecompareert zijn Willem Aertsz., out omtrent 63 jaeren, Adriaen Adriaenszoon, oudt omtrent 71 jaren, Floris Gherytsz., out omtrent 50 jaeren, altsamen wonende binnen den voors. schoutampte, ende Wijnant Jansz., out omtrent 42 jaeren, wonende an den Rijn in de jurisdictie van Aerlanderveen, mer in de prochie van Alphen rechtelicken gearresteert, ende voorts altsamen verdaecht zijnde ten versoucke van Thomas Evertszoon Puttershouck, [fol. 36] poorter der stede van der Goude, als daertoe gelast bij de heeren burgermeesteren der voors. stede om getuychnisse des waerheyts te geven, soe hebben zij deposanten liefflicken bij haeren eede (die ick hemluyden solemnelicken zoo ’t van rechtswegen behoort, affgenomen hebbe), gecertificeert ende verclaert dat zij deposanten op huyden datum deses ende veel meer andere dagen ende jaren meermaels gesien hebben ende hemluyden wel kennelicken te zijn dat het water comende uyte meeren in den Rijn wederom uyten Rijn door de gaten van de Goutschesluys (leggende onder de jurisdictie van Alphen) ofgegaen heeft ende bij oostewinden merckelicken affgaende is in de Gouwe ende voorts door die sluysen binnen der stede van der Goude in der IJsele ende dat ’t water ‘tgunt binnen eenighe weecken herwerts in den Rijn zeer hooch es geweest, door d’ uytwateringhe van de vers. Goutschesluyse in de Gouwe ende zoe voorts nederwaerts zeer merckelicken gevallen ende gemindert es, gelijc ooc op andere jaren, certificerende den voorn. Wijnant Jansz. (als voerende de marctschuyt van Alphen opter Goude) meermaels gesien te hebben dat het water uyt den Rijn vallende door die voorscreven Goutsluyse ende zoe voorts nederwaerts nae der Goude, zeer geweldich door die sluysen binnen der stede van der Goude als bij oosten ende westen der voors. stede leggende in de riviere van de IJsele was exonerende, dat hij met zijn schuyt dicwils heeft moeten ter Goude verwachten totdat het affgaende tije door de incomende vloet ende toegaen der voors. sluysen verslapt soude zijn, omme alsoe met zijn schuyt wederomme naer Alphen te mogen varen. Wijder en tuychden zij deposanten niet. Soe waerlick moste haer God helpen. Desen t’ oirconde hebbe ick, Claes Philipszoon van Leeuwen, [fol. 37] schoudt voornoemt, door versoucke van de voorschreven deposanten mijn zegel beneden op ’t spatium ’s brieffs gedruct, ter presentie van Jan Matheusz., zeylmaicker, ende Matheus Evertsz. als getuygen die ’t te meerder kennisse onderteyckent hebben. Actum den lesten dach february anno 1500zevenentnegentich, ende was besegelt mit een opgedruct groen wasschen zegele ende onderteyckent: Matheus Evertsz., Jan Matheusz. zeylmaicker.

[Openinge van ons verbael] Ten laetsten hebben de voornomde van Uytrecht ende van der Goude aen ons versocht openinge van ons geverbaliseerde, ‘twelc wij hem om te vertoonen dat wij ter goeder trouwen wilden wandelen, niet en consten weygeren, mit een voorgaende verclaringe dat wij eenighe poincten bij ons in ’t verbaliseren angeteyckent dienende omme ons te dienen ter memorie in ’t maicken van ons advys, in ’t lesen zoude overslaen als verstaende dat wij ons bedunckens ongehouden waren hem daervan eenige openinge te doen, te weten degeene die wij hierboven hebben gesubvirguleert, ende hebben zulcx hemluyden ons gehele geverbaliseerde hiervoren, beginnende van ons twede off naerder commissie tot hetgeene opten voors. negentienden es geverbaliseert, geheel voorgelesen, te weten beginnende voor fo. 19 ende eyndende fo. 33 mit ’t gebesoingeerden van den 19 marty excluys verzwijgende als geseyt es ’t gesubvirguleerden ten 1en fo. 23 in de naestlaetste regel mit de woorden: temeer, ende eyndende aldaer aen de twede zijde aen ’t eynde van de 14e regelen mit de woorden: ‘tselve te doen. Ten 2en fo. 24 van den 6e regel mit de woorden: overbleven, tot de 15e regele incluys, eyndende mit ’t woort: gevonden. Ten 3en fo. 37 van de 6e regel mit de woorden: ‘twelc die, eyndende mit de 11e regel aen ’t woort: continuerende, ende ten 4en fo. 29 mit de 9e regel aen de woorden: In ’t uytvaeren, eyndende mit de 14e regel aen ’t woort: gebonden. Gelijc wij oock eenige plaetsen die wij off vergeten off niet claer genouch en hadden gestelt, volgende haerluyder begeren daer bijgevoucht off verclaert hebben.

Ende alsoe die van der Goude ons gecommuniceert hebben zeeckere caertgen belangende den loop van der vers. IJssele daer de verwijdinge ende diepinge soude geschieden, medebrengende de mate, zoe en hebben wij nyet connen laeten daervan alhyer oock eenighe verclaringe te doen om te dienen tot onderrechtinge daer ende zulcx des zal behoiren, bevonden zulcx daeruyt dat de langde van Uytrecht [fol. 38] tot den Overslach toe gestelt was op 493 roeden [Chaerte van ’t voorgenomen verdiepen en verwijden], van daer tot de brugge van ’t Geyn was lang 665 roeden, van daer voorts tot Ysselsteyn was lang 567 roeden, van daer voorts tot Montfoort was lang 2742 roeden (al ‘twelc het lant van Rijnlandt noch ooc de innegenomen landen niet aen en gaet), mer van Montfoort tot Oudewater (daer aen den IJsseldijc raecken de landen van de Eng, van Cattenbrouck, Rapijnen ende IJsselvelt) es lang 1860 roeden ende van Oudewater tot de Wiericken (daer de verwijdinge ende verdiepinge van der IJsele zouden eynden als voorts wijt genouch zijnde) es lang 1123 roeden; van de Wiericken tot ’t lant van Steyn es lang 772 roeden ende van daer tot der Goude es lang 1288 roeden, al volgende de Ouwatersche mate in der voors. chaerte gestelt.

[Afscheyt] Ende hiermede een vruntlick affscheyt nemende ende van de heeren van der Goude ende Uytrecht, van de costen in ’t Hertenhuys gedaen ende verteert gedefroyeert zijnde, met een begeren dat wij de zaicken ten besten ende favorabelicken zouden rapporteren, hebben den heeren van Uytrecht ende van der Goude van haer betoochde vruntschappen hoochlicken bedanct, mit een anseggen dat wij alle ‘tselve aen onsen principalen getrouwelicken zouden rapporteren, dat wij ons ooc vanwegen onsen principalen verplicht hielden om zulcx daer hem de gelegentheyt soude mogen openen, in aller vruntschappen te erkennen ende verschuldigen ende dat zij hem van de goede genegentheyt van onsen principalen in alles daer recht, redene ende billicheyt toe diende, verseeckert mochten houden.

[Vertrec] Waernaer wij ontrent ten twe uyren zijn vertrocken ende comende ontrent Boscoop, reden mitte wagen de brugge over langs de Groenewech ende vandaer door ’t midden [fol. 39] van Rijnevelt, te weten Alphen an de oostzijde van de Gouwe, ende voorts deur ’t Steect tot aen de Rijndijc om de wijte van de Goutschesluysen te meten, die wij bevonden hebben:

[Goutschesluysen] De oosterbrugge op 1 roede 7 voeten vijff duymen.

Ende de westersluyse op twe roeden twee voeten invougen dat aldaer losinge es van drie roeden negen voeten vijff duymen.

Ende tot Alphen vernachtende zijn den 20en binnen Leyden gekeert.

Al ‘twelc wij u, mijnen heeren van de Gerechte deser stadt Leyden, voor ons wedervaren in desen rapporteren ende mit onse onderteyckeningen hierachter bijgevoucht bevestigen.

Niet ongeraden achtende alvooren ’t jegenwoirdige onse verbael heel te sluyten, alhier te brengen eenige redenen dienende tot wederlegginge van de opinie dat de geheele diepten van sluysen zouden dienen tot waterlosinge [Redenen tot wederlegginge van d’ opinie van de burgermeester Moel], bij ons genomen uyt de werckinge of ervarentheyt.

Ten eersten indien de geheele diepte van de sluysen waer losende, zoe en soude nimmermeer slijc opten gront of bodem van de sluysen mogen blijven staen, mer deur de schuyringe van ’t doorlopende water moeten wechgenomen werden; nu, zoe vint men slijc opten bosem off gront, g. ende

Ten tweden indien de sluysen mit hun geheele diepte loosden, zoe most ooc notelicken volgen dat den gront van ’t buytenwater tot den uytgang van der Mase toe soude houden de diepte van de sluysen, zonder mits den groten toeval van de losende wateren daerboven te connen verlanden; nu, zoe siet men aen meest alle sluysen dat deurdien dezelve sluysen van minder wijte zijn als de canalen daer op ende inne zij loosen, deur het andringen van den watere, dezelve seer geperst staen ende zulcx in ’t uytloopen beroeren off bewegen de onderste wateren, die volgende ons seggen als van ’t buytenwater [fol. 40] mit ‘twelck zij in ’t waterpas ende even hooch staen, gestut of geschut zijnde, veroorsaecken deur dezelve beroerte een ommedraynge off wielinge, waerdeur de gronden voor dezelve sluysen werden wechgenomen, om ‘twelc te verhoeden ende de sluysen te verseeckeren men gebruyct baerden te wercken van ettelicke roeden, ende werden al evenwel noch zodanighe diepten om redenen voors. gemaict voor dezelve baerden, mer leert de ervarentheyt dat den gront of slijc ‘twelck zulcx wert uytgedraeyt of gewelt, ettelicke roeden daervooren weder plaetse neemt, zitten blijft ende ondiepte veroorsaect, ‘twelc niet geschieden en zoude indien de sluysen mit hun volle diepte waren losende.

Ten derden indien de sluysen mit hun volle diepte loosden, zoe most alleen de grote sluyse van der Goude geheel Rijnlandt van een groot deel van alle haer water alrede hebben ontledicht, al en hadde Rijnlandt nieuwers elders losinghe gehadt; nu esset kennelicken dat behalven dese extraordinarise losinge deur der Goude, Rijnlandt evenwel losinge gehadt heeft deur de ordinarise sluysen op Sparendam ende ten Halffwegen, behalven dien oock op Amsterlandt (voor zoeveel de waterschappen gemeen zijn) ende zonderlinge ooc proportionelicken de meeste losinge deur den duycker aen den Dam op Delfflandt ’t meeste water treckende ten opsicht men voor zeecker hout dat hoe de sluysen nairder aen de mont van de zee comen, daer ’t water laechste es, hoe zij eer ende beter loosen. Ende men heeft bij peylingen binnen Leyden gehouden, bevonden dat ten dage van ons wedercompste Rijnlandt noch boven de vierdalff duymen waters nyet en was quyt geworden, ‘twelc om bij een gissinge wat naerder te connen verstaen, zoe es ons zeggen, ‘twelc wij stellen tot oordeel van beter gevoelen:

[fol. 41] Ten eersten dat een mijl weechs gereeckent wert voor zestienhondert roeden in der lengde, ‘twelc een manpersoon wel te voet zijnde gaen can in een uyr.

Ten tweden dat het water op ’t afgaen van de sluysen ten minsten zoe ras voortloopt als een manspersoon zoude connen gaen.

Ten derden ramen wij dat de lengde tusschen Leyden ende der Goude, te weten den loop van den Rijn ende van de Gouwe, te wesen vijff uyren gaens, comt tsamen op 8000 roeden, ende den Rijn ende de Gouwe zoe min zoe meer deurgaende wijt te zijn 10 roeden, ‘twelck tsamen soude bedragen 80.000 viercante roeden.

Nopende de raminge van de meeren, gissen wij de langde op vier mijlen, maeckende 6400 roeden, ende de brete deurgaende op twe mijlen, maickende 3200 roeden; dees twe sommen mit denanderen gemultipliceert werden de meeren bij raminge groot gevonden 20.480.000 viercante roeden; hier opgehoocht de 80.000 roeden hiervoren compt tsamen 20.560.000 viercante roeden, ‘twelc wesen soude 34.266 mergen 400 roeden lants of waters, ende wij achten te zijn al ’t water van ’t gehele waterschap van Rijnlandt bedragende 2.960.640.000 viercante roeden waters.

De grote sluys ter Goude es wijt twe roeden drie voeten vijff duymen, ende ’t binnenwater hebben wij bevonden op ’t hoochste van de vloet zeven voeten acht duymen drie greynen, zoe dat als de sluyse in haer voors. diepte water hadde mogen loosen, de loos[inge?] gestadich zoude zijn geweest 210 viercante voeten waters.

Daeruyt dan zouden moeten volgen dat losinge, alsvooren gelijcgestelt zijnde de gang van een mensche, elcke uyr gew… most zijn op 4.632.000 viercante off cubycke voeten waters ende in een dach te weten 24 uyren 96.768.000 cubycke off viercante voeten waters.

Ende alsoe ons verclaert werde dat deselve loosinge zulcx geweest was zes [weecken??] lang ende de losinge mit de vloeden g[eraemt wert?] [fol. 42] opte helft van de tijt als 21 dagen, zoude notelicken geweest zijn 2.032.128.000 viercante voeten waters.

‘Twelc jegens malcanderen gereeckent ende vereffent, zoude in de vers. tijt alleen geloost moeten zijn deur de voors. grote sluyse acht duymen twe greynen waters van gans Rijnlandt, behalven dat aldaer ter Goude geloost zoude sijn door de binnensluys, door de Mallesluys, vorder door beyde de Wiericken mitsgaders behalven de vordere zoe ordinarise als extraordinaryse losingen hiervooren geroert.

Ten laetsten oock behalven de natuyrlijcke uytdrogingen ende optreckingen zoe van de geduyrige vorst als van de zonne, ende droge maertse winden, dewelcke altsamen geen cleyn behulp gegeven ende veroorsaect hebben.

(w.g.)

Pieter Adriaensz. 1597

S.F. van Merwen

J. van Hout, 31.3.97.

 

Jan van Hout's testament

Karel Bostoen (✝), Piet de Baar en Kees Walle

 JanVanHoutTestament

Vooraf

Jan van Hout’s testament is al wat langer gepubliceerd, maar is interessant genoeg om weer eens onder de aandacht te brengen. Het is -zoals we van hem kunnen verwachten- een zeer uitgebreid stuk geworden, dus hij zal er wel even mee bezig geweest zijn.

Notaris Jacob van Tethrode nam in de nazomer van 1606 het testament op het stadhuis in ontvangst. Drie jaar later, op 12 december 1609, is Jan van Hout overleden.

Met dit artikel willen we eenieder uitnodigen om in dat schitterende document te duiken, dat in 2013 door Karel Bostoen (✝), Piet de Baar en Kees Walle in zo’n prachtige, toegankelijke uitgave is bezorgd. Voor de volledige inhoud zie de complete digitale versie op onze site.

Inhoud

De uitgave begint met een inhoudsopgave, die gelijk al een mooi beeld geeft van wat men kan verwachten: de eerste complete uitgave van alle stukken rondom het testament en de verdere afwikkeling van de nalatenschap.

 JanVanHoutTestament01

Inleiding

In de nazomer van 1606 tegen zes uur 's avonds wandelde notaris Jacob van Tethrode naar het Leidse stadhuis om er volgens afspraak het testament van stadssecretaris Jan van Hout in ontvangst te nemen. Dat testament was gedateerd op 10 september, maar het bevatte op de keerzijde van het laatste blad een toegevoegd invulformulier dat nog moest worden bekrachtigd door notaris en getuigen.

Dan volgt een uiteenzetting over de omstandigheden van het testament, de inhoud en de verdere afwikkeling, gevolgd door het testament zelf.

Testament van 10 september 1606; facsimile en transcriptie

Mijn hulp bestae in den name Gods almachtich, Schepper des hemels ende aerden.

Mit aenroupinge van zijnen heyligen name zoe maecke ic, Jan van Hout, secretarys deser stadt Leyden, naer voorgaende rijpe beradinge ende zonder daertoe bij yemandt misleyt of bedwongen te zijn, mijn testament ende uyterste wille.

 JanVanHoutTestament02

Boedelbeschrijving

Uit de boedelbeschrijving krijgen we een schat aan informatie gepresenteerd:

  • Onroerende goederen
  • Erfpachten
  • Losrenten
  • Renteobligatie
  • Custingen ende andere inneschulden
  • Gelt bevonden in de houte kiste, staende in de camer daerinnen de voorseyde Van Hout overleden is
  • Gout
  • Meublen, huysraet ende diergelijcke (het hele huis wordt doorgelopen)
  • Registers, stucken, de stadt aengaende
  • Stucken partijen aengaende
  • Notariael stucken
  • Stucken den boedel aengaende ende zijn in de casse opt 't voorgestelde teycken of nombre
  • Geslachtbomen, leggende opte casse
  • Chaerte leggende opte casse

Boedelscheiding

Voorts volgt een uitgebreide beschrijving van wie er wat krijgt. Ook hier weer is alles tot in de puntjes uitgewerkt.

Archiefoverdracht

Dan nog een hoofdstuk over de archiefoverdracht, oftewel wat er met de diverse archiefstukken moest gebeuren.

Afsluitende woorden

Deze uitgave geeft niet alleen een prachtig overzicht van de omvangrijke nalatenschap van Jan van Hout, maar ook weer een prachtig beeld van wat voor een Pietje Precies deze held was. Geen detail wordt vergeten!

Eenieder die geïnteresseerd is in Jan van Hout wordt van harte aanbevolen om in dit document te duiken. Het is een genot!

 

Jan van Hout en de halve maantjes op de stadhuisgevel

P.J.M de Baar

 

Jan van Hout en de halve maantjes op de stadhuisgevel: de ‘liever Turks dan paaps’-interpretatie ter discussie gesteld

In zijn artikel ‘Het nieuwe Leiden en zijn icoon: het stadhuis. Leiden rond 1600’ in het Leids Jaarboekje 100 (2008) 121-153 heeft Karel Bostoen betoogd, in het voetspoor van anderen, dat de halve maantjes (eigenlijk slechts maansikkels, dus wassenaars, of crescents in het Engels), die op de ontwerptekeningen van de nieuwe Stadhuisgevel uit 1593 en 1594 voorkomen, een toespeling vormden op de leuze ‘Liever Turks dan paaps’. Waren het in de ontwerpen nog liggende maansikkeltjes, dus met hun opening naar boven, later zijn het staande sikkeltjes geworden, en na de herbouw van het Stadhuis zelfs omgewende, dus met hun opening naar links in plaats van naar rechts, zoals de meeste vlaggen uit de wereld van de Islam hebben (met de Turkse vlag als meest prominente). Het is wel niet meer na te gaan of de sikkels met de opening naar boven (gemakshalve als liggende sikkels aangeduid) als zodanig gerealiseerd zijn, en zo ja, wanneer precies de verandering naar staande sikkels, zoals herkenbaar op foto’s van vóór de Stadhuisbrand van 1929, plaatsgevonden heeft.

HalveMaantjes01

De overtuiging van Bostoen komt heel redelijk over, maar er zijn wellicht meer verklaringen mogelijk. Zo is het opvallend dat op die twee ontwerptekeningen alle pinakels die als bekroning een liggende sikkel hebben, iets lager een ronde schijf of bol hebben. Daar zit denkelijk toch wel een filosofie achter. Die zou voor de aardbol kunnen staan, of voor de zon. Natuurlijk draait de maan om de aarde, maar de tegenstelling danwel twee-eenheid zon en maan is zeker zo bekend. Hier zou gedacht kunnen worden aan een soort uitbeelding van de ‘leus’: hier wordt dag en nacht over u gewaakt. Terecht, want op het Stadhuis zetelde de ‘nachtwacht’: de stedelijke schutters die als taak hadden ook ’s nachts de orde te handhaven. Maar dat hoeft natuurlijk niet de allereerste associatie te zijn; onder zon en maan en tussen hemel en aarde gebeuren heel wat meer dingen.

Een derde verklaring kan zijn een verwijzing naar het aloude geslacht Van Wassenaer, dat de liggende sikkel (wassenaar) in zijn wapen en op zijn banier voerde, meestal in drievoud en al dan niet met b.v. een blauwe dwarsbalk. Van 1340 tot 1523, toen de hoofdtak in mannelijke lijn uitstierf, was het geslacht Van Wassenaer burggraaf van Leiden. Hoewel deze titel steeds minder belangrijk werd, gaf die dit geslacht toch wel een flinke voorsprong op alle andere adellijke families in Holland. Zelfs nadat de laatste erfdochter getrouwd was met een lid van het geslacht De Ligne uit Henegouwen in de Zuidelijke Nederlanden, verdween dit aanzien niet. Het geslacht De Ligne werd in 1545 verheven tot (Rijks)graaf en zou in 1601 zelfs de titel prins gaan voeren. In Holland waren er slechts enkele grafelijke families: Van Egmond (graaf in 1486, prins van Gavere in 1553), Van Horne, De Ligne, Van Aremberg en Van Hoogstraten (De Lalaing), met als pretendent Van Brederode. Andere burggraven waren er naast de al lang uitgestorven Van Voorne’s (over Zeeland) in Holland eigenlijk niet, en de dichtstbijzijnde waren de burggraven van Utrecht en van Montfoort. Het is voorstelbaar dat het Leidse stadsbestuur als een soort eerbetoon aan de vroegere burggraven (niet de actuele, omdat die aan de Spaanse kant stonden) wassenaars op de pinakels gezet heeft.

Hoe zou het idee van die sikkels überhaupt hebben kunnen opborrelen? Met andere woorden: wie is de ontwerper, de bedenker van de tekeningen, dus niet noodzakelijkerwijze ook de tekenaar ervan? Ging de rol van de stadssecretaris zó ver dat hij het filosofisch denkwerk verrichtte en dat als het ware in een plan van eisen vastlegde, waarna een tekenaar die eisen zo goed en zo kwaad als het ging vertaalde in decoraties op of aan de gevel? Was Jan van Hout, de alleskunner en homo universalis, zó goed onderlegd op het gebied van de architectuur dat hij zelf decoraties kon ontwerpen? Dat gaat toch wel heel erg ver. Veel meer dan wensen ten aanzien van de plattegrond (er is van zijn hand een schetsje bewaard gebleven) en wat dilemma’s als of er wel of niet een voorname trap moest komen en hoe die er dan uit moest gaan zien, zal hij wel niet gehad hebben. Omringd door zeer capabele mensen als Isaec Claesz. Swanenburch, Simon Fransz. van Merwen, Lieven de Key en het stadspersoneel zou het ook vreemd geweest zijn als hij zich met letterlijk ieder detail bemoeid zou hebben. Kortom, een rol voor een allesbedisselende Jan van Hout is slecht voorstelbaar. Bovendien zou het aanbrengen van “Turkse” maantjes als herinnering aan de vrijheidsstrijd wel heel erg ver gaan in de ogen van bepaalde leden van het stadsbestuur die in feite nog halve katholieken waren. Dat enkele heethoofden liever Turks dan paaps waren en dat van de daken schreeuwden, soit, maar een eerzaam en zo neutraal mogelijk stadsbestuur van het dak van het openbare Stadhuis, en dat twintig jaar na de tijd dat die leus een hype was? Jan van Hout genoot beslist grote steun binnen de bestuurderskringen. Velen zullen ontzag gehad hebben voor zijn kennis en kunde en werkkracht, maar ieder mens heeft tegenstrevers of misgunners. Zo moest hij in 1596 rekening en verantwoording afleggen wegens beschuldigingen van nepotisme en geldzucht; bij een bestuur waarvan alle leden hun ondergeschikte steunden door dik en dun zou dat niet nodig zijn geweest. Ergo: in ieder geval in 1596, juist toen de werkzaamheden aan de Stadhuisgevel zo’n beetje op een einde liepen, stonden niet alle stadsbestuurders unaniem achter Van Hout.

Wanneer al op de oude stadhuisgevel (of aan de in 1573 tenietgegane torenspits) pinakels met liggende wassenaartjes gestaan zouden hebben (maar helaas zijn de paar afbeeldingen van het Stadhuis van vóór de bouwactiviteiten van 1593 en later te weinig gedetailleerd om daarop zoiets te kunnen zien), zouden die kunnen dateren uit een tijd dat het gezegde “Liever Turks dan paaps” nog niet bekend was.

Een liggende wassenaar lijkt wel iets op een hoefijzer. Van een hoefijzer, mits zodanig opgehangen dat de opening naar boven wijst, wordt gezegd dat dat geluk brengt; van een “verkeerd” opgehangen hoefijzer wordt wel beweerd dat “het geluk eruit zakt” (of: loopt), in de geest van de eis dat bij afkloppen dat niet op geverfd hout mag gebeuren. Waarom een los hoefijzer, net als scherven en wat al niet meer, geluk zou brengen, is mij niet bekend. Als dat volksgeloof al uit de diepe middeleeuwen zou dateren, dan zou zelfs dit nog een verklaring voor de vele wassenaartjes kunnen bieden.

Van afstand gezien is vooral op een hoog gebouw, zoals een kerktoren, moeilijk te zien of een gebogen “ding” een liggende sikkel of bijvoorbeeld een haan is. Het kenmerk van een haan is immers dat zijn lijf gebogen is, zij het wel met aan de kopzijde een soort krul en aan de staartzijde eveneens een krullend aandoend iets, de staart. Bij nauwkeurige inspectie zal uiteraard het verschil wel snel opvallen, maar vanuit de verte is het verschil tussen een liggende wassenaar en een haantje soms best moeilijk vast te stellen. Of de eerste wassenaar eigenlijk een mislukte kerkhaan was, zal wel nooit meer vast te stellen zijn.

Bij een kasteel dat eigendom was van een lid van het geslacht Van Wassenaer kan er op een toren of een hoog dak een ding gestaan hebben, misschien in de vorm van een haan, dat van afstand de uit het familiewapen bekende liggende wassenaar leek te zijn. Zelfs al zou op deze wijze de wassenaar op torens tot een soort surrogaat of vervanger van de haan zijn geworden, dan nog is de vraag of de Stadhuisgevel van Leiden wel zo’n geschikte plaats voor wassenaars was. Sedert 1420 was de politieke rol van de burggraven van Leiden uitgespeeld waar het het stadsbestuur van Leiden betrof. Stad en burggraaf stonden doorgaans wel op goede voet, zeker omdat de burggraaf (ambachts)heer van Leiderdorp en Oegstgeest was, en met je buren kun je beter maar niet al te veel ruzie zoeken. Hoewel in bijvoorbeeld de kwestie van de buitengetimmerten rond 1540, toen de uitheemse De Lignes de macht overgenomen hadden en zich slechts door een rentmeester lieten vertegenwoordigen, er niet altijd volledige overeenstemming was, hoeft dat geen reden te zijn geweest om wassenaartjes, als die al op de Stadhuisgevel stonden, te verwijderen. Maar er lijkt toch weinig reden te zijn aan te nemen dat er al pinakels op de Stadhuisgevel stonden vóór in 1593 de eerste nieuwe plannen gemaakt werden, en dan dus gehandhaafd zouden zijn.

In welk jaar voor het eerst een architect of stadsbestuurder op het idee gekomen is om liggende sikkels op (de punt van) pinakels boven een schijf of bol te zetten, zal wel niet snel te achterhalen zijn. Maar de Renaissance was voor wat extra versieringen niet ongevoelig, ook al hadden ze geen enkel praktisch nut. Met name Hans Vredeman de Vries en zijn school waren zeker niet afkerig van dit architectonisch detail. Het zou een hele studie vergen om in het totale gegraveerde en geschilderde oeuvre van architecten en architectuurschilders na te gaan waar nog meer pinakels met onderaan een ronde schijf of bol en bovenaan een liggende sikkel afgebeeld zijn. Het zal toch wel niet zo zijn dat dit in Leiden in 1593 is uitgevonden – de Stadhuisplannen wekken veel meer de indruk te zijn samengesteld uit samengeraapte architectonische details uit voorbeeldenboeken zoals die van Vredeman de Vries. Die hadden in ieder geval grote invloed op moderne architecten en uitvoerende kunstenaars, waaronder toch ook de steenhouwers (en architecten) Lieven de Key, Claes Cornelisz. en zelfs wel Lüder van Benthem te rekenen zijn, ongeacht hoe groot de rol of invloed van elk van deze drie op de uiteindelijke uitvoering is geweest. In 1562 verscheen er al een door Vredeman de Vries ontworpen fantasievoorstelling van een loggia met zes pinakels op de gevel met daarop liggende sikkels (maar zonder bollen), althans te oordelen naar de afbeelding in Ornamentprenten in het Rijksprentenkabinet I, 15de & 16de eeuw nr. 164.2. Ook op de afbeeldingen 168.21, 171.7 en 179.1 zijn deze, al dan niet met bollen, te herkennen. En ook op een (niet gesigneerd) ontwerp voor een nieuwe Hogewoerdspoort uit 1587 is een pinakel met een liggende sikkel te zien.

Kort na het voltooien van de Stadhuisgevel wilde ook het Hoogheemraadschap van Rijnland haar pand aan de Breestraat ingrijpend vernieuwen – min of meer tegen heug en meug van de stad Leiden en haar secretaris (Van Hout was al jaren totaal gebrouilleerd met de secretaris van Rijnland, Dirck van Egmond). Van Hout wist alles van het Hoogheemraadschap (hij had er een geweldig dikke pil over geschreven in 1595) en wel speciaal haar financiën, die niet overdreven rooskleurig waren. Ook al waren de betrekkingen na het sluiten van het 31-jarig accoord in 1596 tussen Leiden en Rijnland weer wat genormaliseerd, dat het Hoogheemraadschap Van Hout zich diepgaand met haar zaken liet bemoeien, ligt niet voor de hand. Maar men koos in eerste instantie als architect voor de verbouwing wel Lieven de Key, die toch wel op goede voet met Van Hout stond, ook al woonde hij in het verre Haarlem. Hoe dan ook, een afbeelding van een ingediend verbouwingsplan, of eigenlijk totale herbouw van de voorgevel, van Rijnlandshuis aan de Breestraat laat twee liggende wassenaartjes op pinakels met schijven of bollen zien. Dat Van Hout dáár de geestelijke vader van zou zijn is ondenkbaar, en al helemaal dat zijn “Liever Turks dan paaps” daarbij een rol gespeeld zou kunnen hebben. Bovendien telde het Hoogheemraadschap toen nog meer katholieke dan protestantse grondbezitters en waarom zouden die voor het hoofd gestoten moeten worden?

HalveMaantjes02

Vanzelfsprekend zou het niet onwelkom zijn wanneer eens een gedetailleerde studie naar alle bewaardgebleven tekeningen of andere afbeeldingen van Leidse gebouwen uit de tijd rond 1600 verricht zou worden. Alleen zo kan aangetoond worden of er nog meer gebouwen in de stijl van Vredeman de Vries versierd waren met pinakels met de wassenaartjes en schijven of bollen. En natuurlijk kunnen ook bestaande monumenten uit die tijd bekeken worden. Dan blijkt b.v. dat de achteruitgang van de Penshal aan de Langebrug op de natuurstenen stijlen aan weerszijden van de toegangspoort een liggende sikkel op een pinakel heeft. Men kan van de kopers en verkopers van pens (slachtafval, maar wel eetbaar) veel veronderstellen, maar niet dat ze achter een versiering van een toegangsdeur iets in de geest van Liever Turks dan paaps zouden zoeken.

Kortom, de conclusie ligt voor de hand dat dit een zuiver architectonisch detail is, waar verder geen echt diepzinnige zaken achter gezocht moeten worden. Een verwijzing naar de Turkse halve maan lijkt dan ook niet terecht.

P.J.M. de Baar

 

Ketters, glippers en confiscaties

Martin Hooymans, Werkgroep 1581, Historisch Leiden In Kaart

 

Inleiding

Beeldenstorm LeidenHet was een merkwaardige afwisseling van gaan en komen eind zestiger- / begin zeventiger-jaren van de 16e eeuw. Na de beeldenstorm van 1566 werden de “ketters” streng vervolgd, hetgeen een uittocht van diverse protestanten tot gevolg had. Toen in juni 1572 Leiden de kant van Willem van Oranje koos, ging het precies andersom: de gevluchte protestanten (waaronder Pieter van der Werff en Jan van Hout) keerden terug en menig vermogende katholiek koos het hazenpad. De laatsten werden “glippers” genoemd. Zij ontvluchtten de stad, veelal met achterlating van bezittingen, huizen en zelfs vaak de echtgenotes (die op het huis moesten passen) in de overtuiging, dat er wel een einde zou komen aan deze situatie wanneer de Spanjaarden Leiden eenmaal terugveroverd zouden hebben en zij dus veilig terug konden keren. Het liep anders.

Ketters

Na de beeldenstorm werd al snel verordonneerd dat de opstandelingen moesten worden vervolgd. In het algemeen werden ze met “ketters” aangeduid. Ze werden voor het gerecht gesleept en -vaak in groepsprocessen- veroordeeld tot strenge straffen (zie Criminele Vonnisboek 1, ketters). En het waren ook niet de minsten, die veroordeeld werden. Zo werd op 8 augustus 1567 de boekdrukker Jan Jacobsz Paedts, die tegen het stadhuis aan woonde, veroordeeld tot “Ophanging, subs. levenslange verbanning uit de Nederlanden en confiscatie”. Voordat het vonnis ten uitvoer kon worden gebracht had hij al de benen genomen. Na het ontzet keert hij terug in de stad. We zien hem in 1575 terug op Breestraat 108.

Het bijzondere is, dat Jan van Hout zijn huis bij het stadhuis betrok, doch ook niet niet lang daarna op de vlucht sloeg. Begin 1569 vroeg Jan van Hout namelijk ontslag als stadssecretaris omdat het gerucht ging dat hij als verdacht van onrechtzinnigheid (en medewerking verlenen aan Calvinisten) gezocht zou worden door Alva’s Bloedraad. Omdat de grond hem te heet onder de voeten werd, vluchtte hij naar Emden (volgens sommige bronnen) dan wel naar Zoutleeuw.

Ook een andere vooraanstaande Leidenaar , Pieter van der Werff, koos het hazenpad. Hij werd op 29 oktober 1567 veroordeeld en wachtte zijn aanhouding ook niet af. Hij vluchtte naar Emden. In 1570 wordt zijn huis aan de later vernoemde Van Der Werffstraat aangeduid als “de huysinge eertijdts toebehoordt hebbende Pieter Adriaenszoon, zeemtouwer nu de Co. Ma.t.” en in mei 1572 heet het nog “Pieter Adriaenszoon zeemtouwer fugitive” (zie ook de lijst van ketters).

Maar dan keert het tij. In juni 1572 kiest het stadsbestuur van Leiden de zijde van Willem van Oranje. En dus wordt gekozen voor de protestanten. Nu is het de beurt aan de katholieken om te vluchten. Zij worden "glippers" genoemd, omdat ze er tussenuit glipten. Tussen die glippers blijken de schout, drie van de vier burgemeesters en drie van de acht schepenen te zitten. Het zal dus een moeilijk besluit geweest zijn! Enkele weken daarna, toen er op 25 juli 1572 nieuwe schepenverkiezingen waren, bleken de drie glipperschepenen en de schout verdwenen te zijn. De resterende drie glipperburgemeesters waren na de jaarlijkse burgemeesterverkiezingen van 10 november 1572 uit beeld.

Glippers

Er dreigde flink oorlogsgeweld, want de Spanjaarden zouden dit natuurlijk niet zomaar over hun kant laten gaan. Hoe het ook af zou lopen, het zou een hoop gedonder geven, dus besloten veel katholieken om er vandoor te gaan. De meesten deden dit met het idee om weer terug te keren als het tij gekeerd zou zijn. Daar gingen ze dan ook vanuit. Veelal lieten zij hun vrouw achter om op het huis te passen. Het was een ietwat opportunistische keuze: als het fout zou gaan, zaten zij veilig in een katholieke stad (zoals Amsterdam of Utrecht) en als het goed zou gaan, keerden ze gewoon weer terug naar Leiden. Dat waren er nog aardig wat (zie de lijst van glippers).

Het stadsbestuur nam hier geen genoegen mee. Alle “glippers” werden verordonneerd om spoorslags terug te keren, daar anders hun bezittingen geconfisceerd zouden worden.

 KaartGlippers

De glippers woonden overal in de stad, maar vooral op de Hooglandsekerkgracht, waar veel priesters en kanunniken woonden.

In het Leids Jaarboekje van 1956 staat een fraai artikel van W.A. Fasel over de glippers en de confiscaties. Historisch Leiden In Kaart heeft dit artikel en de bijbehorende lijst van glippers van hyperlinks voorzien, die de lezer naar de desbetreffende personen en percelen leiden.

Confiscaties

Andries Schot, een gerespecteerde kapitein van de schutterij, werd aangesteld als rentmeester van de confiscatiën. Van zijn hand zijn een reeks documenten, waarin in detail de confiscaties, huurinningen, pachten over de verschillende jaren genoteerd zijn. En deze documenten zijn door de eeuwen heen bewaard gebleven, zodat wij er nu nog plezier van kunnen hebben!

Dankzij deze documenten zien wij dan ook, dat Jan van Hout bij terugkeer in Leiden in eerste instantie in 1573 een geconfisceerd huis op Breestraat 143 betrok. Dit huis ligt schuin tegenovr het stadhuis, hetgeen wel makkelijk was voor een stadssecretaris. Tijdens de volkstelling van augustus 1574 woonde hij hier ook, naar alle waarschijnlijkheid tot na het ontzet. Het was voordien eigendom van de gevluchte glipper Cornelis Claesz van der Hooch, die de stad niet meer terug heeft gezien. Hij was een telg uit de familie Van Swanenburg, die zich naar zijn moeder “van der Hooch” is gaan noemen. Dat gebeurde vaker als de vrouw van iets hogere komaf was.

Ook Pieter van der Werff was in 1573 weer op zijn eigen nest teruggekeerd en kon van daaruit het burgemeesters ambt weer oppikken, wat hij tijdens het beleg met glans heeft vervuld.

Glippereed

Na Leidens Ontzet waren de druiven zuur voor de glippers. Zij hadden verkeerd gegokt en verloren. Willem van Oranje maande echter tot verdraagzaamheid. Hij verordonneerde dat de glippers weer terug mochten komen, als ze maar trouw zouden zweren aan de Prins van Oranje. De meesten kozen eieren voor hun geld en daarom zien we daarna nog vele glippers weer gewoon terugkeren naar de stad.

 

Jan van Hout en de tragische dood van zijn zwager Karel van Wing

P.J.M. de Baar

 

Inleiding

Stadssecretaris Jan van Hout moet de Kerst van 1590 wel als de slechtste Kerst van zijn hele leven beschouwd hebben. Waarom was dat zo’n rottijd voor hem geworden? Een aanslag, mogelijk een regelrechte moordaanslag, op je zwager: dat gaat toch niet in je kouwe kleren zitten? En als dan die zwager na een heel lange doodsstrijd, waar Jan toch ook wel getuige van zal zijn geweest, uiteindelijk de geest geeft, ook nog eens de zorgen om met name de kinderen (die hij uiteindelijk zelf maar in zijn gezin opnam) en de sectie op het lijk, waar Jan het om voor ons onbegrijpelijke reden volstrekt niet mee eens was: je kunt je een leukere tijd voorstellen! Kortom, hier moet wat nader uitgelegd worden.

Jan had in de loop der jaren heel wat familieleden van zijn vrouw naar Leiden laten komen, of als ze eigener beweging uit hun land van herkomst (Zoutleeuw en de omgeving van Tongeren) naar Leiden kwamen, konden ze op een hartelijke ontvangst door hem rekenen. Een van hen was Charles of Karel van Wing(e), een halfbroer van zijn vrouw Lijsbeth Reiniersdr. van Wing. Maar met deze is het helaas heel slecht afgelopen, zij het zo te zien helemaal buiten zijn schuld. Helaas is het gedeelte van het Crimineel Clachtbouck waarin de betreffende stukken geschreven zijn, in ernstige mate door waterschade aangetast en slecht leesbaar geworden. Alle mogelijke moeite is gedaan om toch tot een zo compleet mogelijke lezing te komen, maar waar niet is… Daarom zitten er in de hieronder volgende transcriptie enkele gaten (onleesbare gedeelten of onzekere lezing, aangegeven met een vraagteken).

Eerst mag de tekst voor zichzelf spreken:

CrimVonnis03 02v
Waterschade … ?  

Rechterlijk Archief inv.nr. 3 deel 3 fol. 2v.

Op huyden den 14en January 1591 hebben ’t meerendeel van schepenen [dus minstens 5 van de 8] der stadt Leyden ten verzoucke van den officier derzelver stede [=de schout] gevisiteert het doode lichaem van Charles van Winge, geboren van Zoultleeu in Brabant, leggende ten huyse van Adriaentgen Rijckaertsdr., Symon Poulsz.’s wedue, op Rapenburch, gequest zijnde achter tusschen beyde de schouderbladen in ’t ruggebeen [=wervelkolom], boven in de slinckerschouder, lopende naer ’t borstbeen toe, ende in den slinckerhant, ‘twelc men verstaet hem gedaen te zijn bij Guillaume Leure, jegenwoordich gevangen van den voors. officier. Ende hierop gehoort hebbende eerst ’t advys van mr. Harman van Aken, chirurgijn, over ’t cureren der voorgeroerde quetsuren gebesicht geweest zijnde, dewelcke verclaerde niet te hebben connen bemercken dat dezelve quetsuren dootlic zouden zijn geweest, mer dat den pacient deur ’t gestadich aflopen van ’t bloet wel zoo flaeuwich zijn gewerden dat haer de doot daermede heeft willen vermengen. Vorder gehoort ’t advys van mr. Jan Symonsz. Hiec, tstadtschirurgijn, mitsgaders van mr. Pieter Adriaensz., tstadtspestmeester, verclarende van gelijcken niet te connen speuren dat de voors. wonden van haerzelven dootlic zouden zijn geweest, ende ingevalle men zulx zeecker[lijck?] zoude willen weten, verclaerden de vers. chirurgijnen dat men ’t doode lichaem soude moeten openen ende anathomiseren omtrent de plaetsen van de quetsuren. Noch hierop gehoort doctor Johannes Exalto over den persoon van de voorn. Charles van Winge in ’t ver[sorghen?] van desen van sijne siecte als medecijnmeester gebruyct geweest zijnde, dewelcke hem voechde bij ’t advys van de voors. chirurgijns; hebben de voors. schepenen hen daermede [vereenicht ende?] verclaert dat zij [alvoren?] vorder te disponeren … den geroerde dode lichaem te doen openen … de quetsuren … terstont in ’t werc te doen stellen … ende de verdere verclaringe van … chirurgijn … disponeert te werden … officier de jegenwoordige ….

Actum den …

Fol. 3

PieterPauwDoctor Petrus Paeu, ten overstaen van schepenmeesteren ende tstadtschirurgijns, beneffens mr. Jan Aerntsz. Exalto, doctor in medecijnen, ende mr. Harman van Aecken, chirurgijn, ten verzoucke van den officier der stadt Leyden in ’t werc getreden zijnde omme ’t doode lichaem van de voornoemde Charles van Winge volgende ’t voorgaende appoinctement van schepenen te openen ende anathomiseren, es aldaer verschenen Jan van Hout, secretarys der voors. stede, schoonbroeder van de voorn. overledene, verclarende dat hij in ’t openen van ’t geroerde doode lichaem geensints en bewillichde ende van geen meeninge en was dat men Guillaume Leuré, gevangen van den officier, vorder zoude bewaren, daervan hij wel expresselick protesteerde; mer dat schepenen (onder reverentie) gelieven zouden te wijsen gelijc haer de wonden van buyten openbaerden, ende zulx zij in redene ende billicheyt meer genegen wezende tot genade dan tot strengheyt van rechten bevinden zouden te behoren, altoos de zaecke meerder interpreterende tot voordeele van den gevangen dan tot zijnen achterdeele.

Aldus geschiet ten huyse van de voors. Adriaentgen Rijckaertsdochter den 15en January 1591.

Mij kennelicken (w.g.: onleesbaar).

Opten ….. (verder onleesbaar)

(fol. 3v.) van ’t recht van de Graeflicheyt raedsaem bevint.

Actum op Schepenecamer bij Andries Jacobsz., mr. Ysaac Nicolay, Jan Jansz. van Baersdorp, Jan Ysnoutsz. van der Nes ende Arnoult Duyck, schepenen, dezen 15en January 1591.

De voornomde Doctor Petrus Paeu, ten overstaen ende in ’t bijwesen als voren, ’t geroerde doode lichaem omtrent de plaetze van de quetsure in de slinckerschouder tot het borstbeen geopent hebbende, verclaerde beneffens de voorn. chirurgijns alsnoch niet te hebben cunnen speuren dat de wonden van heurzelven doodelic zouden sijn geweest.

Actum den vers. 15en January 1591.

fol. 4r.

PersoonWapen PieterVanDerDoesJoncheer Peter van der Does, schout dezer stadt Leyden, eysscher van tsheeren wegen in cas van delict, beclaecht ende causeert aen dezer Vierschare Guillaume Leuré van Armentiers, jegenwoordich gevangen alhier ende delinquent, hem aenzeggende dat hij op den 26en decembris lestleden ’s avonts omtrent half acht uyren alhier op Rapenburch tusschen de Nonnen- ende Colfmaeckersteech hem met quade zaecken vervordert heeft te vervolgen ende feytelicken te agresseren den persoon van Charles van Winge, onlangs overleden, treckende denzelven eerst van achteren bij de mantel ende stotende hem voorts terstont met zeeckere zijnen groten opsteecker (alhier jegenwoordich) in zijnen rugge, ende daernae ook zeer geweldelicken in zijn slinckerborst, treckende hem voorts dezelve opsteecker tot twee of drie malen toe deur zijne handen, ende hebbende hij gevangen mitsdien den voornomden Charles aldaer zulx gequetst, gegrieft ende mishandelt dat hij daervan terstont nae grote aflopinge van bloet heel debyl ende in crancken schijn te bedde gevallen ende tusschen den 13en ende 14en dezer maent january ’s nachts (zijnde binnen den … negenthienden dach) van der voors. quetsuren dezer werelt overleden es, alleenlick(?) naerder onder souffisante … deuchdelicke informatiën daervan bij den [voorn. officier] ende eyscher genomen, mitsgaders … eygen bekentenis ende confessie buyten pijne van banden ende ijsere gedaen, beyde hier beneffens gaende … soe hij gevangen in ‘tgund voors. … grote atroce straetschenderije ende [fol. 4v.]  openbaer gewelt, maer ooc moetwillige manslach ende leelicke moort geperpetreert ende bedreven heeft ende daeromme met een zwaren doot ende strenge executie tot schricke van alle andere behoort gestraft te werden.

Soo concludeert de voornomden officier ende eysscher van tsheeren wegen dat hij, gevangen ende delinquant, hierover bij U mijn Edele heeren crimineel vonnisse gecondemneert zal werden alhier van der Vierschare [in het Stadhuis] aff op een horde met een paert gesleept te werden tot aen ’t pleyn voor ’s Gravensteyn ende dat hem aldaer ter plaetsen daer men gewoon es den quaetdoenders te straffen, eerst zijn rechterhandt bij den scherprichter geamputeert ende afgehouden, ende hij voorts bij denzelven daernae geraetbraect ende alle zijne leden gedemembreert ende in stucken geslagen ende ’t lichaem alzoo in den vuere geworpen ende metten zelven gebrandt te werden datter de doot nae volcht. Dat voorts ’t lichaem daerna buyten op ’t Galgevelt deser stede(?) gebracht ende aldaer aen een pale gestelt omme vastgemaect ende d’afgehouden handt boven ’t hooft aen dezelve genagelt zal werden, ende vorder alle zijne gevangen ende delinquent goederen verclaert zullen werden verbeurt ende geconfisceert ten proffijte van den heer [de autoriteiten in Den Haag], off dat de gevangen ende delinquant tot andere alsulcke zware(?) dootlicke straffe bij U, mijne Edele heeren, gecondemneert zal werden als dezelve naer den aert(?) zijnder voors. atroce dootslach na rechten [fol. 5r.] bevinden zullen te behoren.

Gezyen bij schepenen der stadt Leyden den voorgaenden eysch crimineel bij den officier derzelver stede overgeleyt tot laste van Guillaume Leure, jegenwoordich gevangen, off hoe hij anders bij naem off toenaem mach zijn genomt, mitsgaders d’informatiën bij den voors. officier tot zijnen laste verworven, ooc des gevangens eygen confessie ende bekentenisse, bij hem buyten pijne ende banden van ijsere gedaen, op alles lettende dat heeft mogen bewegen, doende recht vanwegen de hoge overicheyt ende graeflicheyt van Hollandt, condempneren den voors. gevangen gebracht ende geleyt te werden opte plaetze voor ’s Gravensteyn daer men gewoon es den quaetdoenders te straffen ende dat hij aldaer bij den scherprichter mitten zwaerde geëxecuteert ende gerecht zal werden datter de doot nae volcht, ende dat het lichaem alsdan zal werden begraven, verclarende vorder alle des voors. gevangens goederen voor verbeurt ende geconfisqueert ten profijte van den heer, ende ontzeggen den officier zijn vorderen eysch.

Aldus gedaen ende gewesen bij Willem Jansz. van Eemskerc, Andries Jacobsz., mr. Yzaac Nicolay, [Jan Jansz. van Baersdorp?], Pieter Pieter Jorysz. van Cortevelt in plaetse van Cornelis Willemsz., botercoper, Jan Ysnoutsz. van der Nes, Philips Lantschot ende Arnoult Duyc, schepenen der voors. stede, desen 15de (?) January 1591.

Ende getyckent: Willem Jansz. van Eemskerck, Andries Jacobsz.

De namen van de schepenen hierboven zijn uiterst slecht leesbaar, maar aangevuld op kennis van elders. De Vierschaar bestond toen, naast schout Peter Jacobsz. van der Does, uit Willem Jan Reyersz. van Heemskerck, Andries Jacobsz. [van Campen], de twee oudste schepenen en daarmee schepenmeesteren genoemd, mr. Isaec Claesz. [Nicolai (van) Swanenburch], Jan Jansz. van Baersdorp, Cornelis Willemsz. [Hasius; boterkoper], Jan Ysnoutsz. van der Nesse, Philips Gerardsz. Lantschot en Arnout Duyc. Het belang van dit vonnis blijkt wel uit de aanwezigheid van alle acht schepenen, zij het dat er één wegens afwezigheid vervangen werd door iemand die al heel veel ervaring had als schepen. Maar als je als rechtbank een verzoek hebt liggen van niemand minder dan de stadssecretaris, is het wel zaak een uiterst gefundeerd oordeel te vellen!

De vraag is natuurlijk waarom Van Hout zo furieus reageerde en vooral waarom hij zich zo inzette voor een milde behandeling van Leuré. Zoiets zou men kunnen verwachten als die naaste familie was, maar dat is niet bekend. Van Hout was ook wel niet te beroerd om zich in te spannen voor personen die bijvoorbeeld als dienstpersoneel gekwalificeerd zouden kunnen worden, maar van Leuré en de kring rond Van Hout is helaas nog te weinig bekend om op dat gebied stellige uitspraken te kunnen doen. En natuurlijk is ook de vraag waarom Leuré zo te zien zeer onverhoeds instak op Van Wing. Was hij dronken (een verzachtende omstandigheid die normaliter altijd zeer nadrukkelijk vermeld werd, en soms kennelijk gelogen was), was hij niet goed bij zijn hoofd, was dit het einde van een langer smeulende ruzie? Helaas, van wat de griffier van de rechtbank nog wel op papier gezet heeft, worden we (zoals trouwens haast altijd) niets wijzer.

Wie meer over de medici wil weten die betrokken waren bij het onderzoek naar de doodsoorzaak van Karel van Wing kan over mr. Harman Baerntsz. van Aecken, mr. Jan Symonsz. Hieck, mr. Pieter Adriaensz. Cant en dr. Jan Aerntsz. Exalto en ook prof. Petrus Paeu (Pauw enz.) het nodige lezen in de dissertatie van Rudolph Ladan, Gezondheidszorg in Leiden in de late middeleeuwen (Hilversum 2012), vooral p. 249-253. Over prof. Pauw, die later zou trouwen met Maria van Hout en daarmee een schoonzoon van Jan van Hout zou worden, is al veel gepubliceerd, haast te veel om op te noemen. Zie voor hem ook de publicaties van Karel Bostoen. Dat de zwaargewonde Karel van Wing het huis van Adriaentgen Rijckertsdr. aan het Rapenburg bij de Kolfmakersteeg werd binnengedragen, zal ook wel geen bloot toeval zijn geweest. Karel zal haar wel gekend hebben, want zij was de schoonmoeder van Bartholomeus van Hout, zoon van Jan en dus oomzeggertje van Karel. Natuurlijk weten we niet of Karel nog wel voldoende bij de pinken was om aan te geven dat hij beter maar bij haar dan bij de eerste de beste vreemde naar binnen gedragen kon worden, maar mogelijk wisten degenen die bij hem waren, of hem aantroffen, van de familierelatie, of kwam op het gerucht ook Adriaentgen of anderen van haar familie naar buiten, herkenden Karel en regelden het zo dat hij bij haar werd binnengebracht. Adriaentgen zal wel meteen Jan hebben laten waarschuwen, niet alleen vanuit een oogpunt van openbare orde, maar ook juist vanwege de familierelatie. Daar heeft Karel dus liggen lijden, van Tweede Kerstdag tot hij uiteindelijk in de nacht van 13 op 14 januari de geest gaf. Nog een geluk bij een ongeluk kan genoemd worden dat hij wel geen aderlating ondergaan heeft, dus het openen van een ader of het zetten van bloedzuigers – hij had al meer dan genoeg bloedverlies. Dat al op 15 januari de sectie plaatsvond, heeft misschien ermee te maken dat het in januari 1591 volgens Jan Buisman (Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 4 p. 124) niet vroor, zodat een lijk nu eenmaal eerder begraven moet worden dan wanneer het streng vriest.

Het lijkt misschien wat overdreven dat er zoveel moeite gedaan werd om precies vast te stellen of de steken dodelijk waren of alleen maar de oorzaak dat het slachtoffer uiteindelijk overleed. Zo op het oog is het haast een wonder dat iemand met zulke wonden en zoveel bloedverlies het nog zo lang volgehouden heeft. Maar juridisch luisterde dit allemaal heel nauw, zoals ook nu nog het verschil tussen ‘moord’, ‘doodslag’, ‘toebrengen van letsel, de dood ten gevolge hebbend’ en ‘dood door schuld’ tot een heel verschillende strafmaat kan leiden. Ondanks, of misschien juist wel door, het tegensputteren van Van Hout wilden de heren schepenen denkelijk geen enkele twijfel laten bestaan, al leverde de autopsie dus geen ondubbelzinnig bewijs op.

Karel van Wing was, volgens de notities die Van Hout daarover gemaakt heeft (zie Genealogische Bijdragen Leiden en Omgeving jrg. 6, januari 1991 AL 420), de enige spruit uit het vierde huwelijk van mr. Reynier van Wing en Truyken van Geel. Hij trouwde met ene Truytgen ‘ende teelde aen haer: Reynier, jong gestorven; Kaerl’. Helaas meldt Van Hout niets over zijn schoonzuster (hopelijk verwart hij haar niet met haar schoonmoeder Truyken van Geel), zodat vermoed kan worden dat die al overleden was vóór Karel naar Leiden kwam. Dat zoon Reynier jong gestorven is, klopt inderdaad (hoewel het woord ‘jong’ ook kan betekenen: ‘nog ongehuwd’; iemand kon dus ‘oud-jong’ zijn). Op 5 november 1601, dus tien jaar na de steekpartij, werd Reyer van Wing, inwonend bij Jan van Hout in de Nieuwsteeg, in de Pieterskerk begraven. Uit het feit dat Reyer (de Hollandse vorm van Reynier) bij zijn oom woonde, mag wel afgeleid worden dat zijn moeder overleden was en dat Jan en Lijsbeth zich, mogelijk noodgedwongen, over de twee verweesde kindertjes ontfermd hadden (zoals tevoren over de kinderen Orlers). Over zoon Karel junior meldt Van Hout niets. Dat is een teken dat toen hij dit schreef (tegen het einde van zijn leven in 1609) Karel nog niet getrouwd was. Dat kan kloppen, want pas op 4 november 1617 ging in ondertrouw Kaerl Kaerlsz., jongman van Leyden, wonende in de Backersteech, warmoesgezel, met Weyntgen Pietersdr., jongedochter van Leyden. Dit huwelijk werd op 25 november voor schepenen gesloten. Dat doet merkwaardig aan. Een schepenhuwelijk was toch primair voor katholieken, doopsgezinden, Lutheranen en (na 1618) voor de strengere Remonstranten? Van Hout zal er toch wel op toegezien hebben dat zijn neefje een goede Calvinistische opvoeding kreeg. Zou misschien Weyntgen tot een andere geloofsrichting behoord hebben? Later zijn de meeste nakomelingen katholiek, maar ook hervormden komen voor.

Hoe dan ook, bij de registratie in verband met het Hooftgelt 1622 woonden op het Steenschuur op de hoek van een poortje ‘Carel Carelsz. met Weyntgen Pieters ende Maerten, Reyer ende Pieter, haer kinderen’. Hiervan zijn geen Nederduits Gereformeerde dopen gevonden, dus mogelijk zijn ze in een ander kerkgenootschap gedoopt. Na deze drie is in ieder geval ook nog een Maertgen geboren. Dat weten we omdat op 7 november 1643 te Leiden in kerkelijke ondertrouw ging Cornelis Mouringsz. van der Aa, warmoesman (behorend tot een redelijk aanzienlijk geslacht), met Maertgen Carels van Wingen, jongedochter van Leyden, wonende op de Coepoortsgraft, met als getuige Trijntgen Pietersdr., haar moeder (Trijntgen moet dus een vergissing voor Weyntgen zijn). En op 30 oktober 1644 trouwde te Leiderdorp (Nederduits Gereformeerd) op attestatie van Leiden: Reyer Carelsz. van Winge met Aeriaentge Pieters. Zij waren op 15 oktober 1644 te Leiden in ondertrouw gegaan: hij was warmoezier, woonde op de Oude Rijn en bracht zijn aldaar wonende vader Carel Carelsz. van Wingen als getuige mee. Die was ook, maar toen wonende op de Koepoortsgracht, getuige bij de ondertrouw voor schepenen van Barent Carelsz. van Winge, warmoezier, wonende op de Coepoortsgraft, op 27 december 1651 met Hillegont Gerritsdr. van Oyen. En dan was er nog Dirck Carelsz. van Wingen, warmoezier, wonende op de Coepoortsgraft, die met als getuige zijn broer Barent op 22 maart 1652 voor schepenen in ondertrouw ging met Grietgien [Joosten] Coppens, jongedochter van Beveren. Op 10 april 1671 ging hij voor schepenen in ondertrouw met Gijsje Benningh, een weduwe. Overigens hertrouwde ook Barent, voor schepenen op 17 augustus 1668 met de weduwe Aeltgen Dircs van Dalen, waaruit in ieder geval een zoon Theodorus of Dirck gedoopt werd op 10 juni 1674 in de R.K. kerk in de Kuipersteeg.

Reyer Carelsz. (zonder toenaam) en Ariaentgen Pietersdr. lieten de volgende kinderen dopen:

1. Pieter, ged. 15-6-1646 Pieterskerk

2. Pieter, ged. 1-12-1649 PK

3. Catherina, ged. 16-11-1651 Hooglandse Kerk

4. Johannis, ged. 5-7-1654 HK

5. Cornelis, ged. 20-10-1656 PK

6. Cornelis, ged. 14-7-1658 HK

7. Maria, ged. 12-6-1661 HK

8. Aeltgen, ged. 2-12-1663 HK.

Opmerkelijk is dat bij maar liefst zes van de acht kinderen als doopgetuige optrad Maertgen of Maritgen Pietersdr., kennelijk de lievelingszus van de moeder.

Van de zonen trouwde Pieter (2) in 1671 voor schepenen, als warmoezier, wonende op de Rijn, met Elysabeth Jans Kroeser, waaruit in de R.K. kerk in de Bakkersteeg drie kinderen gedoopt werden, en Johannes (4) in 1677 kerkelijk, als warmoezier wonende op de Rijn, met Elisabeth Jacobs Godaert, en in 1682 te Leiderdorp met Machtelt Cornelis Havelaer.

Er zijn geen verdere genealogische naspeuringen gedaan, maar het zou dus zomaar kunnen dat er nog steeds nakomelingen van deze vermoorde zwager van Jan van Hout rondlopen! Overigens moet opgepast worden, want er woonden ook nakomelingen van diverse lieden met de achternaam Van Wingen(e), al dan niet herkomstig uit het Vlaamse dorp Wingene. Maar de naam Karel is toch wel een belangrijke wegwijzer.

P.J.M. de Baar

 

Jan van Hout en de Bierfraude van 1607

 

 

Als secretaris van een commissie, maar uiteindelijk geheel op eigen gezag, stelde Jan van Hout een zeer uitvoerig rapport op over de gang van zaken in de Leidse bierwereld, van de brouwerijen via bierdragers tot herbergiers en andere bierverkopers. Het vermoeden was dat er flink gefraudeerd werd.

Kees Walle maakte de transcriptie van het verslag, P.J.M. de Baar heeft die gecollationeerd en de werkgroep Historisch Leiden In Kaart heeft de informatie verwerkt in de database.

Lees het verhaal in Jan van Hout en de Leidse Bierfraude . En neem eens een kijkje op www.historischleideninkaart.nl voor bijvoorbeeld een overzicht van de brouwerijen of de bierstekers, bierdragers, biertappers/herbergiers en tappers van kleine bieren in 1607.

 

Jan van Hout en Omar Bouden

P.J.M. de Baar

 

Jan van Hout en een ‘vreemde’ koper van een lot in 1596. Omar, de eerste(?) Marokkaan in Leiden?

 De rol van Jan van Hout bij de grote loterij voor de inrichting van het vroegere St. Caeciliaklooster tot pest- en dolhuis is al meerdere keren zeer uitvoerig belicht. Hier wordt slechts verwezen naar het proefschrift van Johan Koppenol, Leids heelal. Het Loterijspel (1596) van Jan van Hout (Hilversum 1998), Anneke Huisman en Johan Koppenol, Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726 (Zeven Provinciënreeks deel 3) en Karel Bostoen, Hart voor Leiden. Jan van Hout (1542-1609), stadssecretaris, dichter en vernieuwer (Zeven Provinciënreeks deel 28). De prijswinnende ingediende rijmpjes zijn, met een uitvoerige inleiding, gepubliceerd in Dick E.H. de Boer, “Trecker, treckt met goe couragie”. Een systematische uitgave van het trekkingsregister van de Leidse loterij van 1596 (Leiden 1989). Diverse artikelen over de loterij zijn ook digitaal te vinden op de website www.dbnl.nl, zoals van Bostoen Verzen voor de Leidse loterij en rederijkerswedstrijd van 1596 en “Adieu mijn geld”. De Leidse loterij van 1596. De oorspronkelijke registers met ingeleverde rijmen zijn gescand, zij het op een chaotische manier, als Archieven van de Gasthuizen (0504) inv.nr. 429 “Cohier van de registers van de Collecteurs van der Leydtschen Loterie”, 1596 (het zoekwoord ‘loterie’ op de website www.erfgoedleiden.nl brengt je er meteen heen). Een van de aspecten die later uitgediept zijn, is die van één vreemdeling die ook een lot kocht. Jan van Hout zal daarbij geen rol gespeeld hebben, maar was er misschien toevallig bij aanwezig toen dit lot getrokken werd (en een niet bleek te zijn). De kwaliteit van het dichtwerk zal hem, als taalpurist, wel niet echt aangesproken hebben.

OmarBouden01

In 1996 verscheen het boek In de nieuwe stad. Nieuwkomers in Leiden, 1200-2000. Daarin wordt (op p. 36) ingegaan op een bij de grote loterij voor de bouw van een pest- en dolhuis in het voormalige Sint Caeciliaklooster ingeleverde ‘proze’, een op rijm gesteld versje dat toepasselijk was op de loterij. Het luidt: Ick jonckman uuyt vremde landen / had ick den oppersten prijs / ’t soude mij wel gehanden’. Dit werd als lot nr. 26105 geregistreerd (op scan 811); het was ingediend door Ommaer Bouck, wonende of verblijvende ten huize van Franchoys van Eeken in de Blauwesteeg. Ommaer werd gelijkgesteld met Omar, een bekende voornaam uit de Islamitische wereld. Mogelijk in combinatie met zijn achternaam werd aangenomen dat hij Noord-Afrika als herkomst had, vermoedelijk Algerije of Marokko. Later is dat nog verengd en werd het een Marokkaan. Zo is het in de (historische) literatuur terechtgekomen en sedertdien vaak overgenomen. En ook in de Wandelgids door Islamitisch Leiden, verschenen in 2013 ter gelegenheid van het 400-jarig bestaan van een leerstoel in het Arabisch (en vaak aanverwante talen en culturen) (p. 68-69). Daar is inmiddels zijn achternaam als Boek gespeld, wat misschien wel de feitelijke betekenis is, maar als schrijfwijze anachronistisch.

Verder scheen er toen niets van deze Omar Bouck bekend te zijn. Maar dankzij de toenemende automatisering/digitalisering van archiefgegevens is onderzoek tegenwoordig niet meer zo’n zoeken naar een speld in een hooiberg als toen. Ommaer, ook wel gespeld als Omaer, Omer en dergelijke, komt redelijk frequent voor; Omar slechts zelden. Het blijkt – voor zover na te gaan – steeds te gaan om inwijkelingen uit vooral Vlaanderen in de periode 1580-1630; daarna daalt het aantal vermeldingen van de naam en na 1700 is die zo goed als totaal verdwenen. Deze voornaam zal in Vlaanderen vooral afgeleid zijn van St. Audemar of St. Omer, de stichter van het bisdom Terwaan en begraven in een plaats niet ver van de naar hem genoemde nederzetting (thans grote stad) St. Omer (St. Omaars in het Vlaams), wiens feestdag 9 september is.

OmarBouden02

Bij het bekijken van alle vermeldingen van Ommaers en dergelijke viel het op dat een Omaer Bouden, ‘greynwercker, jongman van Leysel in Vlaenderen, vergeselschapt met Franchoys van der Eecke, zijn cosijn, ende Jan de Noot, mede zijn cosijn’, op 13 april 1607 in kerkelijke ondertrouw ging met ‘Trijntgen Adriaens, jongedochter van Leyden, vergeselschapt met Marytgen Thonis, haer oude meestersse’. Die Franchoys van der Eecke, die neef (cosijn is een volle neef, geen oomzeggertje), moet toch wel dezelfde zijn als die Franchoys van Eeken uit de Blauwesteeg uit 1596? In de Blauwesteeg (min of meer waar nu de Sterrenwachtlaan loopt) woonden vooral arbeiders, en een greynwercker zal daar niet uit de toon vallen. En dat Omaer in 1607 Bouden heet en in 1596 Bouck: er zijn wel grotere verschrijvingen gevonden. Bij verificatie in het Loterijregister blijkt er echt Bouck te staan, al is dat register ook weer een afschrift en zou er ergens eens schrijffout begaan kunnen zijn. Zo is de naam in onze tijd ook meerdere malen als Bonden gelezen.

OmarBouden03

Omaer Bouden kocht op 16 september 1611 bouwkavel nr. 32 in de ‘Achterste Doelsteech, in de Sacksteech noortsijde, beginnende aen de vest oostwaerts aen’ (dat is waar nu het Lipsius nog staat), maar deed het al op 7 december 1611 voor dezelfde prijs over aan Jaecques de Mont, wolcammer. Overigens had hij nog geen stuiver van de koopprijs betaald, zal de financiering van de bouw van een huis wel problematisch zijn geweest en was hij wel blij dat nota bene zijn buurman hem van die (mis?)koop af hielp. Als zijn beroep wordt dan vermeld saeywercker, dus kennelijk was hij van grein overgegaan op de productie van saai (allebei weefsels van vooral wol). Mogelijk wilde hij zelfs een zelfstandig bedrijf in die branche gaan uitoefenen, want op 13 juli 1612 werd poorter van Leiden Omaer Bouden, saeydrapier van Leysel in Vlaenderen, met als getuigen Jan de Noot en Jacob van Drongen. Leysel is het huidige Leisele op 13 kilometer ten zuiden van Veurne, een plaats die veel inwijkelingen leverde. De proze is in het Vlaams, want een woord als ‘oppersten’ prijs (in de betekenis van hoofdprijs) kom je in het gewone Hollands/Leids uit die tijd nooit tegen. En ook ‘gehanden’ (bevallen, van pas komen, handig zijn) zal niet veel autochtonen over de tong gekomen zijn. Natuurlijk kan het ook een al bestaande proze zijn, of misschien heeft Franchoys van der Eecke zijn (veel jongere?) neef Ommaer geholpen. Franchoys trouwde in 1585 met Pastina van der Walle en blijkt afkomstig uit Gijverinkhove, op 12 kilometer van Veurne. In zijn gezin (zij hadden onder meer een zoon Franchoys junior) zal Ommaer een gastvrij onderdak gekregen hebben. De andere neef, Jan de Noot of Danoot, behoorde tot een geslacht dat ook uit Veurne, Beveren in Veurnambacht of Pollinkhove, een buurdorp van Gijverinkhove, afkomstig was. Voor de ‘vremde landen’ als geboorteplaats van Omar zal dus niet helemaal naar Afrika afgezakt hoeven te worden; naar West-Vlaanderen is al voldoende.

Wie dan wel de eerste echte Marokkaan (of Afrikaan) in Leiden was, blijft daarmee een nog onbeantwoorde vraag. De Johannes Maurus, Afrikaan, die op 26 juni 1648 ingeschreven werd als student in de letteren (maar hij ging in feite theologie studeren) had zich in 1643 op 23-jarige leeftijd in Delft laten dopen, studeerde op kosten van Delft en sinds 23 februari 1653 van Haarlem en woonde in het Staten-College aan de huidige Kaiserstraat. Op 30 november 1650 vereerden de burgemeesters van Leiden Johannes Maurus, ‘geweest sijnde van de Mahumetaensche religie ende jegenwoordich studerende theologie’, met tachtig gulden om daar een ‘cleet’ (een soort toga?) van te maken. Professor Golius (hoogleraar Arabisch) had zich kennelijk over hem ontfermd en zou dat geld voor hem ontvangen. In februari 1656 hield zijn ‘beurs’ op en wilde hij kennelijk naar elders vertrekken, maar in de Kerkenraad van 10 november 1656 werd geconstateerd dat na het oplezen van zijn naam (hij werd in twee kerken zelfs als Arabier vermeld, wonende in de (Pieterskerk)Choorsteeg) geruchten gingen lopen die niet zo best voor hem waren, en van zijn gedrag niets goeds gehoord werd, zodat hem attestatie geweigerd werd. Op 17 november kwam hij verhaal halen, maar de Kerkenraad bleef zich unaniem bezwaard vinden om hem die attestatie te geven vóór hij door een beter en godzaliger gedrag de Kerkenraad tevreden gesteld zou hebben en de ergernis onder de gemeente weggenomen. Ook werd hij nog eens door de presiderend predikant zeer ernstig vermaand om een godzalig leven te gaan leiden. Daar kon hij het mee doen. Het zal er wel toe geleid hebben dat hij zonder attestatie naar Amsterdam kon vertrekken en een verdere kerkelijke carrière wel kon vergeten. Hier hebben Delft, Leiden en Haarlem dus bitter weinig eer mee ingelegd.

Een andere kandidaat is de op 6 juni 1643 als lidmaat van de universiteit ingeschreven Saadias Abraham, Marocanus, 50 jaar oud, die geen inschrijfgeld hoefde te betalen. Maar dankzij het proefschrift van Martine Zoeteman-van Pelt over De studentenpopulatie van de Leidse universiteit, 1575-1812 (p. 285), is bekend dat op 23 december 1633 ingeschreven werd Mohammeth filius Haly, Mauritanus e Regione Sus, mogelijk de streek rond Sousse in Tunesië – als die identificatie juist zou zijn, was hij dus geen Marokkaan, maar eerder een soort Barbarijse zeerover. Wie biedt er een nog vroegere Marokkaan?

P.J.M. de Baar

 

Jan van Hout en de dwarsliggers aan de Dwarswetering

P.J.M. de Baar

 

In afschrift

Het eind van de zestiende eeuw wordt wat de Leidse geschiedenis betreft als het ware gedomineerd door één veelschrijver: stadssecretaris Jan van Hout. Het is onvoorstelbaar hoeveel hij zelf vastgelegd heeft en door zijn klerken liet schrijven. De hele administratie van de stad, de Universiteit, het baljuwschap Rijnland en tal van kleinere besturen werd door hem gereorganiseerd 1) en de door hem gebaande paden zouden daarna gedurende een paar eeuwen door zijn vele opvolgers risicoloos bewandeld blijven worden. Dat zijn invloed op de stedelijke administratie het grootst was, zal geen betoog behoeven. Er is haast geen stuk papier uit de periode 1560-1609 of er is wel ergens door een krabbel in zijn karakteristieke handschrift te zien dat hij het stuk in ieder geval door zijn handen heeft laten gaan. Het stempel van Van Hout op de thans nog in het Gemeentearchief van Leiden aanwezige bescheiden is dan ook groot.

Een van de eigenaardigheden van Van Hout was dat hij alles dat maar enigszins van belang zou kunnen zijn liet kopiëren. Toen de stad bepaalde rechten kreeg in de polder Het Nieuwland (ook wel Den Andel of Andeel) onder ‘s-Gravenzande en daar enige verschillen van inzicht ontstonden met de plaatselijke hoogwaardigheidsbekleders, dramde Van Hout net zo lang door tot hij de beschikking kreeg over ettelijke oude polderrekeningen, die daarna door zijn klerken volledig overgeschreven werden.

Dankzij deze taakopvatting zijn heel wat in origineel verloren gegane stukken toch nog bewaard gebleven, zij het dan in kopie 2). Wel is het zo dat Van Hout die met zoveel zweet en misschien wel tranen geproduceerde kopieën soms op een wat vreemde plek liet opbergen. Veel ervan zit ‘verborgen’ tussen de bijlagen bij de rekening.

Tresorier-extraordinaris

Het financieel beheer van de stad werd rond 1590 gevoerd door twee tresoriers, de tresorier-ordinaris en de tresorier-extraordinaris. De taakafbakening tussen die twee is in het begin voor ons niet helemaal duidelijk meer, hetgeen ook wel enigszins te wijten is aan het verloren gegaan zijn van de rekeningen van de tresorier-extraordinaris uit die periode. Extraordinaris in die tijd was Symon Fransz. van Merwen, een zeer capabel man, die naast landmeter en bouwkundige ook rentmeester van een aantal instellingen was. Door de stad werd hem opgedragen een groot aantal uiteenlopende zaken financieel te regelen, waardoor juist zijn rekening heel divers en dus ondoorzichtig geworden is. Later zouden de meeste van die rentmeesterschappen òf uit zichzelf ophouden òf naar de tresorier-ordinaris gaan; de extraordinaris ontwikkelde zich allengs tot een soort directeur van gemeentewerken.

Van Merwen was door de stad ook benoemd tot rentmeester "van de landen ende goeden eertijts gecomen van de Regulieren tot Leyderdorp". Het Regulierenklooster Engelendaal bezat van oudsher uitgestrekte landerijen, vooral in de naaste omgeving van de kloostergebouwen. Al heel vroeg, in 1486, kregen de prior en enkele ingelanden van de sedert 1457 bestaande Broederspolder toestemming een poldermolen te bouwen 3). In 1566 werd de molen verplaatst naar de Munnikkenkade en ging uitslaan op de Dwarswetering.

Het klooster van Onze Lieve Vrouwe ter Engelendale van de Regulierenorde werd in 1396 gesticht door Pieter van den Poel, van Pol of ook wel Van Tol. Het was een welvarend klooster, al vormde de Beeldenstorm van 1566 daarin wel een negatieve ontwikkeling. Ook op geestelijk gebied was er zo rond 1560 weinig opwekkends te melden. Toen de stad Leiden zich op 23 juni 1572 aansloot bij de opstand tegen koning Philips II en daarmee de Reformatie vrij baan gaf, moest de tegenstand bepaald niet vanuit Engelendaal komen. De nog aanwezige weinige monniken zochten bovendien al snel hun toevlucht elders.

Arent van Dorp

Zodra in april 1572 de opstand van Enkhuizen tot Vlissingen vaste vorm begon aan te nemen, achtte Willem van Oranje dit de kans van zijn leven om militair weer wat tegen Philips II te ondernemen, nadat zijn eerdere pogingen gefaald hadden. Een probleem was echter dat hij geen geld en geen krediet meer had.

In deze hoge nood kwam jonkheer Arent van Dorp hem tegemoet. Deze was tot 1570 drost van Zevenbergen geweest en beheerde grote kapitalen. Behalve dat hij militair optrad voor de zaak van de opstand (zo veroverde hij Mechelen en Dendermonde in 1572 voor de prins, al gingen die plaatsen al snel weer verloren; in 1576 verdedigde hij Zierikzee tegen de Spanjaarden, waarbij zijn schoonzoon Louis Boisot, de beroemde bevrijder van Leiden, met het admiraalsschip omsloeg en verdronk), steunde hij ook met geld.

Bij een Antwerpenaar leende hij 10.000 gulden, die hij weer aan Willem van Oranje verstrekte. Voor wat hoort wat, en dus beloofde Willem hem de goederen van Engelendaal. Formeel kon Willem niet over andermans eigendommen beschikken en dus werd het een overgave in "pandschap". Men zal zich afvragen waarom juist dit klooster uitgekozen werd. Niet alleen dat het wellicht gemakkelijk in bezit te nemen was, maar Van Dorp was ter plaatse zeer goed bekend en zal zijn voorkeur wel kenbaar gemaakt hebben. In 1566 was Jacob Coppier, bezitter van de hofstede "Tol" onder Koudekerk, in een minder goede financiële toestand gekomen en in 1567 wist Van Dorp die hofstede met veel omliggende landerijen te verwerven. Hij was dus op de hoogte met de situatie en zodra hij Engelendaal in zijn macht had, liet hij alle roerende goederen uit het klooster veilen. Als niet bepaald erg orthodoxe katholiek zal hem het verlies van al die kostbaarheden voor de eredienst wel niet zo aan het hart gegaan zijn; vermoedelijk was overigens zijn onverzadigbare geldzucht een veel grotere drijfveer dan zijn sympathie voor het Calvinisme.

Kort daarop begon de afbraak van de gebouwen, 4) waarbij nog van invloed was dat tijdens het beleg van Leiden erg veel wat grotere gebouwen in de verre omgeving van de stad door hetzij vriend of vijand verwoest werden om de tegenpartij geen dekking te bieden. Het bezit van het klooster beviel Van Dorp blijkbaar wel, want zodra de Spanjaarden weg waren, kocht hij in 1575 4 morgen weiland en 4½ morgen houtland in de Monnikkenpolder van Jan Woutersz. Mouthaen en nog eens 5 morgen in die polder van het St. Elisabethgasthuis in Leiden. 5)

Van Dorp was niet alleen een geldwolf, hij was ook een aartsdwarsligger. Het valt niet te schatten hoeveel processen hij wel niet gevoerd heeft, vaak over de pietluttigste zaken. Zo procedeerde hij elf jaar lang (tot zijn dood in 1600 verhinderde om daar nog langer mee door te gaan) tegen iemand uit Hazerswoude over de betaling van een partij kersen- en perenbomen. Door al deze processen maakte hij uiteraard meer vijanden dan vrienden en toen het hem financieel niet meer zo voor de wind ging, werd hij door haast iedereen in de steek gelaten. 6) Ook kreeg hij al snel ruzie met de kerkmeester van Leiderdorp, de Commanderij van St. Jan te Haarlem en Pier Olofsz. over de eigendom van ruim 16 morgen land in Leiderdorp. Uiteindelijk besloten de Staten van Holland in 1579 om zijn pandschap van Engelendaal te beëindigen. Eerst kreeg de rentmeester van de kloostergoederen opdracht om alle opbrengsten van de verkoop van enkele landerijen in Leiderdorp aan hem uit te keren. Daarna was het zaak de ƒ 10.000 te vinden om de hoofdsom af te lossen. De Staten kochten formeel de verpande goederen terug. De stad Leiden, die wellicht ook graag Van Dorp wat verder uit de buurt wenste, bood zich nu aan om in feite het pandschap over te nemen. In Leiderdorp zal er wel een zucht van opluchting te horen geweest zijn toen Van Dorp zich terugtrok, al bleef hij er toch nog de nodige bezittingen aan land koesteren.

Pandschap van Engelendaal

Leiden had al vanaf 1572 geweldige bedragen voorgeschoten aan de Staten, maar van enige terugbetaling was het echter steeds niet gekomen. Het zag er ook niet naar uit dat dat spoedig zou gebeuren, vanwege de voortdurende oorlogstoestand. Leiden kreeg nu officieel de goederen van Engelendaal in pandschap, waarbij de Staten gerechtigd waren binnen drie jaar tegen betaling van de geleende sommen het pandschap te beëindigen. Zodra Leiden, zolang het zou duren, heer en meester over Engelendaal was, werd Van Merwen opgedragen als rentmeester alles te verrichten wat nodig was.

De paperassen werden naar het Stadhuis overgebracht en met name Van Hout ging daarin na welke oude rechten het klooster wel niet gehad had en maakte een inventaris van al die bescheiden, die door zorgvuldig beheer geduren­de vele eeuwen thans nog aanwezig zijn. 7)

Eén van de verworven rechten (sedert 1455) was die op een gedeelte van het Nieuwland buiten ’s-Gravenzande, waar zowel Van Hout 8) als Van Merwen 9) actief waren. Een dik pak stukken, voornamelijk concepten van de hand van Jan van Hout, heeft het beheer van Engelendaal tussen 1579 en 1592 opgeleverd, 10) naast enig kaartmateriaal. 11) En dan bevinden zich nog heel wat stukken tussen de al genoemde bijlagen bij de rekening.

Zo is de "Rolle van de verhuyringe van de landen gecomen van de Regulieren tot Leyderdorp, gedaen opten 29en, 31en january ende 5en february" [1583] als een dik boekwerk opgenomen in de bijlagen bij de rekening over 1583. 12) Zeker zo dik is een soort boekwerk tussen de bijlagen van de rekening over 1588. 13) Het is, in een redelijk handzame vorm, het verhaal over de bemaling van de Munnikkenpolder. De "Voerwaerden daernaer [Pieter] Olofsz. ende Arris Cornelisz. als molenmeesters van de moelen, jegenswoordich staende in de Monickepolder tot Leyderdorp, ten overstaen van meester Symon Fransz. van Merwen als rentmeester van de landen ende goeden eertijts gecomen van de Regulieren tot Leyderdorp voornoemt, mitsgaders Sandrijn Aelbrechtsz. als gasthuysmeester binnen Leyden, begeren te besteden te maecken eene nieuwe moelen om gesedt te werden in de voors. polder, zulcx in manieren als hiernaer volght" zijn het begin van het dossier.

Uit het bestek valt af te leiden dat het gaat om een wipmolen. De maten van het meeste houtwerk worden zeer precies opgegeven. Het zou te ver gaan hier alle details van het bestek te behandelen. Erg grote verschillen met de hedendaagse wipmolens zijn er ook niet. Wel is aardig de terminologie van een aantal onderdelen, die enigszins afwijkt van de thans gebruikelijke. Zo wordt bepaald dat de aannemer een bovenste camrat (bovenwiel) moet aanbrengen "ende zal ooc maecken eenen starcken praem om de moelen mede te houden". Het is duidelijk dat met praem de vang bedoeld wordt. Even afgezien of dit een stutvang 14) dan wel een Vlaamse vang was (aan een hoepelvang moeten we wel helemaal niet denken), vooral het woord praem is interessant, zeker waar het tegelijkertijd voorkomt met het woord vanc of vang. Aan de verbreiding van deze woorden is een niet onbelangrijk hoofdstuk gewijd in het proefschrift van Jan Stroop. 15) Het blijkt dat het woord praam vroeger in de hele Noordelijke Nederlanden op Zeeland na voorkwam, maar (mogelijk tegelijkertijd met het verdringen van de Hollandse stutvang door de Vlaamse blokvang) langzamerhand verdreven is door het van oudsher in Vlaanderen en Zeeland overheersende woord vang.

Bouwrekening

Na twee kleinere stukken tekst, waarover later meer, volgt de rekening van wat de molen met bijkomende werken in totaal gekost heeft. De bouw volgens het genoemde bestek was op 12 maart 1586 in de herberg ‘Het Stadthuys van Antwerpen’ op de Hogewoerd 16) voor ƒ 900 aangenomen door Pieter Anthonisz., molenmaker te Hoogmade. Daarbij was overeengekomen dat het ijzerwerk en de stenen (halssteen, pensteen en stenen onder de wateras) buiten het bestek door de polder betaald zouden worden en wanneer het waeterwerc (dus scheprad en krimp c.a., wateras met onderwiel en bak) niet gemaakt hoefde te worden, er van de aanneemsom ƒ 200 zou afgaan. Dit laatste was het geval, zodat er ƒ 700 uitbetaald werd.

Dirc Maertsz. leverde extra palen die op de vier hoeken onder de ondertoren geheid werden, hetgeen 17½ gulden kostte. Dirc Cornelisz., smid, ontving 129 gulden 9 stuiver en 4 penningen voor al het ijzerwerk volgens een pagina’s lange specificatie. De bekende Leidse steenhouwer Jeroen Gerritsz. leverde voor vijf gulden een halssteen en een pensteen, terwijl de al even bekende steenhouwer Claes Cornelisz. 17) drie penstenen voor 4½ gulden leverde.

Vier nieuwe zeilen werden gemaakt door Dirc Claesz. voor bijna 20 gulden, waarbij nog kwam de door Cornelis Heymansz., lijndrayer, geleverde 25 ponden geteerd snoer (wellicht gebruikt bij het met riet dekken van de ondertoren) en acht pond ongeteerd snoer, die mogelijk voor de lijnen van de zeilen gebruikt zijn. Willem Claesz. Buys zorgde voor de benodigde reuzel en olie om de draaiende delen te smeren, terwijl Andries Cornelisz. tien palen leverde "om de moelen daermede te cruyen" à 35 stuivers elk. Het hoofdstuk van de geleverde materialen wordt afgesloten met het leveren van aarde om de molenwerf op te hogen.

Dan komen de arbeidslonen. De grootste post hiervan is die van 18 gulden, betaald aan Pieter Anthonisz. voor verricht werk buiten het bestek om, te weten het "inhalen" van de daklijsten met behulp van een trekvijzel en het verankeren ervan met bouten aan een eiken stuk. Ook moest hij alle kammen van doornhout wegnemen en vervangen door kammen van mispelhout, die goed op steek gezet dienden te worden. Ten slotte bracht hij nog twee hekken aan op de molenwerf "voor den toeloop van de beesten". Voor heien voor de molen kreeg hij bovendien nog ruim 13 gulden.

Gerrit Pietersz. Spec, een bekend Leids bouwondernemer, ontving 30 stuiver voor zijn moeite om de molen te inspecteren of die wel gemaakt was volgens de letter van het bestek. Verder zijn er tal van kleine posten voor het graven van de gaten voor de krimp en andere onderdelen van de fundering, transport van hout, het kruien van aarde, het baggeren bij de molenkade enz. Speciaal wordt vermeld dat Reyer Arysz. en zijn kinderen twaalf gulden kregen voor hun hulp bij het zetten van de molen; wellicht hebben zij geholpen met het met behulp van kaapstanders ophijsen van de zware onderdelen.

Een belangrijk hoofdstuk is altijd dat van verteerde costen. Het aanbesteden van een molen kon niet zonder dat de kelen gesmeerd werden en Lambrecht Claesz., waard in 'Het Stadthuys van Antwerpen', declareerde acht gulden. Nu was overeengekomen dat de aannemer het gelag zou betalen, en dus werd dit bedrag weer van de rekening afgetrokken bij het uitrekenen van wat de grondeigenaren zouden moeten gaan betalen. Op 11 februari 1586 was al 20 stuiver verteerd toen de molenmeesters met de timmerman en “meer andere” in de polder waren om de oude molen te inspecteren en te overleggen over de bouw van een nieuwe. Tijdens het opstellen van het bestek van de molen werd op 5 maart 16 stuiver verteerd, terwijl tijdens de bouw voor drie gulden en twee stuiver aan "pintebier" geconsumeerd werd. Ook bij het opstellen van de eerste rekening zat men niet op een droogje; de nota bedroeg 24 stuivers.

In totaal bedroegen de kosten voor het bouwen van de molen 989 gulden 17 stuivers en 4 penningen.

Uitvinding

Hiermee zou een einde aan het verhaal gekomen zijn, ware het niet dat er nog een andere zaak tussendoor speelde. Symon Fransz. van Merwen was niet alleen landmeter en bouwkundige, maar ook nog uitvinder. Op 10 april 1584 kreeg hij octrooi van stadhouder Willem van Oranje (die toen nog niet vermoord was) voor "zeeckere instrumenten” waarmee hij vooral de heemraadschappen (dus allereerst de hoogheemraadschappen i.v.m. hun boezembemaling) hoopte te kunnen dienen met pompmolens in de kolk en verder met:

“zeeckeren pijpen ofte waterfonteynen uyt de culcke deur ofte over den dijcken doende lopen ofte springhen in de buytenwateren ende dat zoewel metten pompmolens als den waterpijpen ofte waterfonteynen ter hoochte van sesthien, achtien, jae wel twintich ende meer voeten hooch" 18).

Wie weet aan hoeveel en welke eisen een octrooiaanvrage vandaag de dag moet voldoen, zal verbaasd zijn over een zo vage omschrijving van de uitvinding. Daar kan toch niemand wat mee beginnen? Ook de bijgevoegde tekening op perkament stelt welbeschouwd niets voor: zeer fraaie kleuren, dat wel, maar met ten enenmale onvoldoende technische details om de werking van een en ander (zonder nauwkeurig opgegeven maten, doorsneden enz.) te kunnen begrijpen. Nu was het in die tijd gewoonte om de uitvindingen zo cryptisch mogelijk te omschrijven en de bijbehorende tekeningen bewust zó onbeholpen te maken dat niemand met de uitvinding aan de haal zou kunnen gaan nog voor de uitvinder deze zelf in de praktijk had kunnen brengen. 19)

Het octrooi stond niet alleen op naam van Van Merwen, maar ook Corstyaen Anthonisz. en Cornelis Euwoutsz. Proot, beiden burgers van Delft, waren er bij betrokken. Hoe de onderlinge verhoudingen binnen dit drietal lagen, met andere woorden of er één technisch genie tussen zat en de anderen òf als financier òf als geïnteresseerd aannemer optraden, valt niet goed meer na te gaan. Maar het spreekt wel vanzelf dat Van Merwen met zijn vele functies en relaties zou trachten de uitvinding in het Leidse in de praktijk te brengen.

Vermoedelijk was de nieuwe Munnikkenmolen de eerste gelegenheid die zich voordeed om de pompmolen eens in het echt te beproeven. In ieder geval heeft Van Merwen het stadsbestuur zo gek gekregen om zijn uitvinding op alle mogelijke manieren te steunen, daarbij de indruk wekkend alsof hij in een zeer genereuze bui afzag van alle toekomstige vette winsten. Althans, zo moet men toch wel het besluit interpreteren dat het stadsbestuur op 11 juni 1584 nam. Van Merwen schatte de kosten van het in de praktijk brengen van zijn uitvinding op 800 à 900 gulden. Degene die de helft van dat bedrag zou voorschieten, zou achteraf een kwart van de winst beuren.

Allereerst werd besloten dat het octrooi aangeboden zou worden aan enkele van de charitatieve instellingen in Leiden en dat de instelling die bereid zou zijn het genoemde bedrag voor te schieten, ook de winsten zou krijgen. Toch was het stadsbestuur, of althans haar secretaris Van Hout, realistisch genoeg om te bedenken dat er wel eens geen enkele charitatieve instelling zou kunnen zijn die de gok wilde wagen. Geen nood, in dat geval zou de stad zelf het benodigde bedrag voorschieten, maar dan uiteraard ook de winsten opstrijken. Om dit alles te regelen werden twee personen gecommitteerd: Foy van Brouchoven, de grote man achter het Hoogheemraadschap, en ... wie anders dan Jan van Hout?

Deze gecommitteerden waren al tot over hun oren betrokken bij de zaak, want reeds op 9 mei 1584 hadden ze opdracht van het stadsbestuur gekregen om naar Delft te gaan en daar met de compagnons van Van Merwen te overleggen hoe de uitvinding het best in praktijk gebracht kon worden. Op 21 mei waren ze inderdaad naar Delft getrokken; Van Brouchoven kostte dit één dag, maar Van Hout ging nog door naar ’s-Gravenzande om de nieuwe molen aldaar te inspecteren met het oog op het eventueel daarin aanbrengen van de nieuwe uitvinding.

Overigens is de in 1580 door de Dordtse houtkoper Ocker Schrevelsz. gebouwde en nog bestaande ‘Nieuwlandse Molen’ onder Hoek van Holland blijkbaar niet geschikt geacht voor ombouw, of wilden de belanghebbenden geen enkel risico lopen. Van Hout maakte van de gelegenheid ge­bruik om ook nog eens te informeren naar de rechten van de stad Leiden op de aanwassen bij ’s-Gravenzande en te vragen om eindelijk rekening en verantwoording van de opbrengsten daarvan te krijgen. Via Den Haag keerde hij weer naar Leiden terug; de totale rekening beliep 16 gulden en 12 stuivers voor beiden.

De realisering van de uitvinding

Het aflopen van alle charitatieve instellingen in Leiden heeft wellicht geen resultaat opgeleverd, want uiteindelijk schoot de stad ƒ 450 voor. Daarmee werd de Monnikkenmolen van een wateropvoerwerktuig volgens de uitvinding voorzien. Zoals uit de aanneming door Pieter Anthonisz. blijkt heeft deze meteen de nieuwe apparatuur aangebracht, dus tijdens de bouw in 1586. Mogelijk verliep dit niet geheel naar wens, want anders wordt het besluit van het stadsbestuur van Leiden (als grootste ingeland in de polder) van 28 maart 1587 wat minder goed te begrijpen. Toen werd namelijk besloten dat op het verzoek van Van Merwen en Christiaen Antonisz. van Delft "omme de molen in de Regulierenpolder t’ haren costen volgende haer nieuwe inventie ende octroy te mogen vernieuwen in de faulten die hen in den gront ende andersins geopenbaert hebben" ingegaan diende te worden. Welke de fouten waren die in de grond gesignaleerd werden, is nergens nader aangeduid.

Tussen de datum van het besluit en uiterlijk de aanstaande Pinksteren, in 1587 vallend op 17 mei, moesten de verbeteringen aangebracht zijn. Daarna zouden dijkgraaf en hoogheemraden een verklaring moeten afleggen of de polder door de aldus verbeterde molen op een alleszins voldoende manier drooggehouden werd. Indien dat niet het geval zou zijn, zouden Van Merwen c.s. hun uitvinding met bijbehorende binnenwerk moeten weghalen. Het stadsbestuur besloot wel dat zolang dit alles niet geregeld was, de oude molen van de polder nog niet gesloopt mocht worden, maar als noodbemaling in stand gehouden diende te worden. 20)

Of Pinksteren niet gehaald werd of dat er andere hindernissen waren, valt niet goed vast te stellen, maar pas op 23 juni 1587 besloot het stadsbestuur op het verzoek van Van Merwen om enkele afgevaardigden aan te wijzen om te gaan kijken naar de proefneming met de nieuwe watermolen in de Monickenpolder, die tegen de oude molen zou moeten malen (voor die afgebroken zou worden) om vast te kunnen stellen welke van beide molens het meeste water uitsloeg. Benoemd werden Jacob Allertsz. de Haes en Pieter Pieter Jorysz. van Cortevelt, schepen.

Wat zij geconstateerd hebben, weten we niet: een rapport of iets dergelijks is niet gevonden. Toch zal de strekking wel duidelijk zijn. Op 3 juli 1587 namelijk gaven Dijkgraaf en Hoogheemraden hun verklaring af over het functioneren van de molen en de uitvinding. Zij verklaarden dat zij gelet hadden op de operatie van de molen "ende ‘t uytwerpen van den watere deur zeeckere pompen in deselve moelen gestelt op geheel ander wijse ofte manier dan tot noch toe bij gemeene watermoelens in Hollandt gepractiseert of gedaen es geweest". Zij concludeerden dat zij alles goed, capabel en voor de landerijen nuttig bevonden hadden en dat zij een en ander dus konden aanbevelen aan degenen die land droog wilden maken. Dit vooral omdat zij bevonden hadden dat de molen het water hoger uitgemalen had dan door andere gewone molens ooit te voren gedaan was. 21)

Dwarsliggers

Leek met die laatste verklaring alles koek en ei en kon de zegetocht van de nieuwe uitvinding alle lage gebieden van Nederland gaan veroveren, de praktijk was wel anders. "Wat een boer niet kent, lust hij niet" ging ook hier weer eens volledig op. Boeren wilden geen enkel risico lopen met onbekende kunstmiddelen die hun toch al continu bedreigd bestaan zogenaamd moesten verlichten. De droevige geschiedenis van met name de beginjaren van de vijzel, het hellend scheprad en de stoommachine tonen dat in later tijd overduidelijk.

Ook de Leiderdorpse boeren zagen totaal niets in de nieuwe uitvinding. Wie kunnen we beter daarover aan het woord laten dan Jan van Hout, die het "Tweede Capittel" van de rekening van een zeer uitvoerige inleiding voorzag. De tekst is bovendien te mooi om niet in de oorspronkelijke spelling weer te geven.

"Alzo nietjegenstaende het nieu gestelde waterwerc volgende de vindinghe van de voors. Van Merwen cum sociis bij dijcgrave ende hooge heemraden van Rhijnlant .... goet, bequaem ende voor de landen oorbaerlic was bevonden ..., de zaecke van de voors. moelen zooverre verleyt es geweest deur afgonst, quaetwillicheyt, wederspordelinge, tegenstant ende verhinderinghe, meest uyt een quaet vooroordeel gesproten zijnde, dat de voors. Van Merwen cum sociis (die in desen tot hun eygen groote zwaere costen gepractizeert ende gearbeyt hebben ten dienste van ‘t gemeenebeste ende omme de landen mit hun verstant, const ende vernuft van de heerlicke inventie der watermolens meerder nuts ende prouffijts te doen trecken dan tot noch toe, daerover zooveel cloucke mannen tot noch toe tevergeefs hadden gesocht) tevreden zijn geweest om niet langer gequelt te zijn van een hoop onwillige, crygele ende ondancbaere luyden, die hij verzeeckert was dat met alle middelen daertoe trachten om hem ende den zijnen in groote costen te doen vallen, eyntelicken mit alle hun vermogen in schanden te helpen ende tot spot te stellen, als hebbende van anbegin aen de moelen alle behoorlicke ende gewoonlicke gerijf onthouden, zijn nieu waterwerc wech te nemen ende elderswaer prouffijt daermede te doen, ende ‘tzelve doende alle de costen bij hem daeraen gedaen ende uytgeleyt, in plaetse dat zijn afgonstige de polder mit groote teercosten hebben bezwaert, aen zijn been te binden, zonder hoop van eenich verset, teneynde de moelen naer ‘t obstinaet voornemen van desommige zoude mogen gebracht werden opten ouden voet".

De druiven waren blijkbaar ook voor Van Hout zéér zuur. Je zult ook maar het vuur uit je sloffen lopen, zelfs naar Delft en verder, en dan uiteindelijk zo’n schitterende uitvinding door zo’n stelletje boerenpummels alleen maar uit koudwatervrees de grond in geboord zien worden!

Er bleef Van Merwen dan ook niets anders over dan zijn pompen weg te halen en een normaal scheprad aan te brengen. Dirc Maertensz., houtcoper, leverde eikenhout uit Hasselt en Wezel, alles zeer uitvoerig gespecificeerd, tot een bedrag van 245 gulden en 18 stuivers. Pieter Anthonisz. leverde ook nog wat hout en maakte het nieuwe scheprad met toebehoren, waarvoor hij 101 gulden en 8 stuivers rekende. Voor geleverd ijzerwerk, ook nu weer een opsomming van een paar bladzijden lang, kreeg Floris Henricxz., hoefslager, ruim 74 gulden, en verder waren er nog wat kleinere posten. De teerkosten, waar Van Hout ook nog over meende te moeten uitvaren, vielen eigenlijk wel mee (maar mogelijk heeft hij een aantal declaraties niet geaccepteerd), slechts 22½ gulden. Tussen 21 maart 1588, toen vergaderd werd om de pompen door een scheprad te vervangen, en de inspectie op 10 juli van het opgeleverde werk, moet de ombouw (en het "rijzen" van de molen) zijn beslag gekregen hebben. En daarmee viel het doek over die "heerlijke" uitvinding.

Eens uitvinder, altijd uitvinder

Maar was deze bittere teleurstelling nu aanleiding voor Van Merwen om zich af te wenden van de techniek van de wateropvoering? Toch niet. Allereerst kreeg hij nog met de naweeën van het voorschot van ƒ 450 te maken, daar de royeermeesters (zeg maar accountants) bij de controle van zijn rekening deze uitgave niet zomaar slikten, zeker niet omdat er geen specificatie bij was en de kosten van de uitvinding dus wel eens lager dan in totaal 900 gulden bedragen zouden kunnen hebben zijn. Van Merwen moest bij het stadsbestuur op het matje komen, maar zijn verklaring dat zijn totale kosten, ondanks de opbrengst van de weer verkochte materialen van zijn uitvinding, genoemd bedrag zeer verre overschreden, werd geaccepteerd. Hij mocht dus de ƒ 450 declareren, zelfs zonder een specificatie over te leggen. 23)

Op 25 mei 1589 bleek Van Merwen een nieuw soort scheprad uitgevonden te hebben: de heren van het stadsbestuur bewonderden het scheprad "van binnen slecxgewijs gemaeckt", dus als een slakkenhuis in elkaar gezet, dienende om het water "mit quantiteyt in de hoochde te brengen ende onder ende boven zijn centre off het aspunt uut te loozen". Van Merwen had die nieuwe uitvinding op eigen kosten in de binnenvestgracht achter het Leprooshuis op proef opgesteld. Door drie mannen werd het bewogen (al zou de drijfkracht natuurlijk ook wel door de wind geleverd kunnen worden) en de heren zagen dat het water in grote hoeveelheden werd opgemalen tot 5 of 5½ voet (1,57 m à 1,76 m) hoog. Van Merwen had mogelijk van zijn vroegere poging geleerd en schonk nu de uitvinding volledig aan de stad, die het recht kreeg deze overal in de praktijk te brengen waar dat wenselijk was, met name bij het leeghozen van grachten die uitgediept moesten worden.

Van Merwen werd voor zijn "vlijt ende naersticheyt" tot bevordering van het gemenebest zeer "gelooft, gepreesen ende overdanckelijck aengenomen", en omdat het stadsbestuur vond dat hij van deze uitvinding zou moeten kunnen profiteren, werd besloten dat de stad octrooi zou aanvragen, waartoe de pensionaris Paulus Vos opdracht gegeven werd. Maar helaas, hoe veelbelovend alles er uit zag, een wondermiddel is het niet gebleken. Al na korte tijd werd het uit elkaar genomen en op een zolder van de stadstimmerwerf opgeslagen, waar het na 1638 weer door de toen benoemde stadsarchitect Arent van ’s-Gravesande ontdekt werd en deze inspireerde er weer proefnemingen mee te gaan doen.

Simon Stevin

Overigens had Van Merwen nog een concurrent, en dan een die het wèl gemaakt heeft: Simon Stevin. Beiden zouden trouwens in 1600 een belangrijke rol spelen bij het totstandkomen van de opleiding van vestingbouwkundigen aan de Leidse Universiteit. In 1589 verzocht hij bij rekest aan het stadsbestuur dat hij de aanstaande leeghozing van het Rapenburg, die nodig was om de walmuren te kunnen vernieuwen, zou mogen verrichten met een nieuwe uitvinding van hem. Hij bood aan dat, wanneer de proefneming zou slagen, de stad zijn uitvinding voortaan zou mogen gebruiken. De heren van het stadsbestuur vonden dat hij eerst maar eens geduld moest oefenen totdat de paardenmolen, die de drijfkracht voor het opvoerwerktuig moest leveren, gereed zou zijn. 24) Mogelijk had Stevin zoveel geduld niet, want er wordt niets meer over hem vernomen. Uitgerekend Delft zou het worden waar hij wèl aan de slag kon. Hier paste hij de uitvinding toe aan de Duyvelsgatmolen in 1588 en de Nieuwe Langendijkse molen in 1590. 25) Leiden had voorlopig genoeg van al die nieuwe uitvindingen.

NOTEN

    1. F.C.J. Ketelaar, ‘Jan van Houts "Registratuer"’, Nederlands Archievenblad, tijdschrift van de Vereniging van Archivarissen in Nederland 84 (1980) 400-412.

    2. Toevallig zijn juist van deze polder veel oude rekeningen bewaard gebleven, zie J.H. de Vey Mestdagh, Inventaris van het archief van de Heeren Dijkgraaf en Hoofdingelanden van het Nieuwland genaamd Den Andel buiten ’s-Gravenzande, 1414-1868, speciaal de inv. nrs. 31-378 en 379-575.

    3. J.A. van den Hoek, ‘De geschiedenis van polders en molens onder Leiderdorp’, Leiderdorp aan jaagpad en snelweg, 1200 jaar wonen (Alphen aan den Rijn 1979) 57.

    4. De afbraak is zeer gedetailleerd beschreven door J.B.J.N. ridder de van der Schueren, ‘Brieven en onuitgegeven stukken van Jhr. Aerend van Dorp’ (Utrecht 1887-1888, Werken van het Historisch Genootschap Nieuwe Serie no. 44 en 50).

    5. W.W. van Driel, Familie-archief Van Dorp 1503-1657, deel A, inleiding en inventaris (’s-Gravenhage 1986) inv. nrs. 357-374.

    6. W.W. van Driel, ’Het Cartularium van Aernt van Dorp’, Nederlands Archievenblad, tijdschrift van de Vereniging van Archivarissen in Nederland 83 (1979) 233-241.

    7. J.C. Overvoorde, Archieven van de kloosters (Leiden 1917), inv. nrs. 582-857.

    8. Gemeentearchief Leiden (voortaan: GAL), Stads­archief 1575-1816 inv. nr. 1675.

    9. Hij maakte onder meer een kaart van het Nieuwland en de buitendijkse gronden, ingebonden in het in de vorige noot genoemde inv. nr. 1675; deze kaart uit 1591 is ook vermeld in de in noot 2 genoemde inventaris op p. 71 nr. 5.

    10. GAL, Stadsarchief 1575-1816 inv.nr. 1683.

    11. GAL, Prentverzameling cat. nr. 76760 gf.

    12. GAL, SA II inv. nr. 8636.

    13. GAL, SA II inv. nr. 8643 volgnr. 984.

    14. Een van de uitvoerigste beschrijvingen van de soorten vangen is wel Anton Sipman, ‘De ontwikkeling van de vang’, Gelders Molenboek (Zutphen 1969-1), ook afzonderlijk uitgegeven: Anton Sipman, De molens zoals ze waren en zoals ik hen heb gekend. Over de vang, voering en pal.

    15. J.P.A. Stroop, Molenaarstermen en molengeschiedenis, Een onderzoek naar herkomst, ouderdom en verbreiding van de benamingen voor enkele molenonderdelen in verband met de geschiedenis van de water- en de windmolen in de Nederlanden (Arnhem 1979-2) 17-30.

    16. H. Suurmond-van Leeuwen, ‘t Stadthuys van Antwerpen en de Uytrechtsche Schuyt te Leiden. Een relaas over geijkte kruiken, een herberginboedel en een moord in de 17de eeuw’, Bodemonderzoek in Leiden 10 (1988) 37-52.

    17. R. Meischke, ‘Een nieuwe gevel voor het Leidse stadhuis (1593-1598)’, Leids Jaarboekje 81 (1989) 74.

    18. GAL, SA II inv. nr. 8643 volgnr. 495.

    19. G. Doorman, Octrooien voor uitvindingen in de Nederlanden uit de 16e-18e eeuw met bespreking van enkele onderwerpen uit de geschiedenis der techniek (’s-Gravenhage 1940); en dezelfde, Techniek en octrooiwezen in hun aanvang met geschiedkundi­ge aanvullingen bij: I. Octrooien voor uitvindingen in de Nederlanden uit de 16e-18e eeuw (enz.) (’s-Gravenhage 1953).

    20. GAL, Stadsarchief 1574-1816 inv.nr. 44, Gerechtsdagboek A fol. 538 v.

    21. GAL, Gerechtsdagboek A fol. 578.

    22. Ook in extenso afgedrukt in genoemd artikel van J.A. van den Hoek, ‘De geschiedenis van polders en molens onder Leiderdorp’, p. 58.

    23. GAL, SA II inv. nr. 8643 volgnr. 496.

    24. GAL, SA II inv.nr. 45, Gerechtsdagboek A 2 fol. 155; zie verder  voor de dieping van het Rapenburg fol. 189 v. en verder.

    25. Ellen van Olst en Harry Boekwijt, Delftse windmolens van de 13e eeuw tot heden (Amsterdam 1978) 77; zie ook A. Bicker Caarten, ‘Middeleeuwse stenen windmolens te Delft’, Delftse Studiën. Een bundel historische opstellen over de stad Delft geschreven voor dr. E.H. ter Kuile naar aanleiding van zijn afscheid als hoogleraar in de geschiedenis van de bouwkunst (Assen 1967) 52-61.

Dit verhaal is eerder gepubliceerd in het Jaarboekje van de Rijnlandse Molenstichting 1990 p. 39-53. De merkwaardige manier van aanduiding van de noten is gehandhaafd. Door het scannen en met OCR bewerken van de tekst is er wel een en ander op het gebied van lay-out ongewild gewijzigd. In de tekst zelf is niets aangepast; de titel is vermeerderd met de naam Jan van Hout. Het is ook naverteld door Frans Grims in zijn Ontstaan en geschiedenis van de poldermolens in Leiderdorp (Leiderdorp 2009) p. 165-167.

P.J.M. de Baar