Lezing door Boudewijn Leeuwenburgh
Oudere Leidenaars herinneren het zich nog heel goed, de Blauwe Tram en de Gele Tram die tot 1961 in Leiden (en Oegstgeest) reden en de stad verbonden met Scheveningen, Katwijk, Noordwijk en Haarlem (de Blauwe Tram met eindpunt bij de Wilhelminabrug, geëxploiteerd door de NZH), en Wassenaar en Den Haag (de Gele Tram, van de HTM met eindpunt bij de Haven). De trams van de NZH stonden bekend om hun luxe en comfort. De gelede trams (A600) waren binnen Europa uiterst modern.
De tram heeft veel blijvende invloed gehad op de ontwikkeling van de stad en heeft duidelijke sporen achtergelaten. De tram leverde niet alleen een grote bijdrage aan de regionale economische ontwikkeling, maar vormde ook de basis voor sociale contacten. Vaste reizigers hadden hun eigen plekje en vormden met andere reizigers een kaartclubje, vele huwelijken vonden hun basis in liefde die ontstondt in de tram. Studenten volgden met de paraplu de rails vanaf Minerva naar hun kot. Jeugd stond bij de halte om de conducteur het lege boekje tramkaartjes te vragen.
De bloeiperiode van de trams waren de jaren 30, 40 en 50. Snelle diensten die vaak reden, verbonden – in een tijd waarin de fiets veruit het meest gebruikte vervoersmiddel was - de steden met de kleine dorpen in de omgeving die zo konden uitgroeien tot forenzenplaatsen. Ook het toerisme werd erdoor bevorderd, onder meer door de aantrekkelijke dagtochten die de NZH aanbood, en de extra trams die bij goed weer naar de stranden reden. De opkomst van de auto en de “moderne” autobus maakte dat de tram als ouderwets werd bestempeld en als hinderpaal voor het snel groeiende autoverkeer werd gezien. Uiteindelijk werden de tramverbindingen stap voor stap opgeheven en reed de laatste Blauwe Tram op 9 november 1961 tussen Den Haag en Leiden (zie foto). De trams naar Katwijk/Noordwijk en Wassenaar waren al een jaar eerder vervangen door een busdienst.
Velen denken met de nodige nostalgie terug aan de trams en betreuren het verdwijnen nog steeds. De opheffing van de trams werd door sommigen al snel na hun verdwijnen gezien als vergissing, ook uit oogpunt van milieuverantwoord openbaar vervoer. Van tijd tot tijd komt de gedachte aan openbaar vervoer per tram weer op in de vorm van lightrail. Studies daarvoor vinden hun basis in verkenningen die in 1984/85 binnen de NZH werden gedaan. Deze hebben uiteindelijk geleid tot de Rijn-Gouwelijn, waarvoor de plannen in 2012 werden geschrapt.
De lezing is een goede voorbereiding op de excursie naar het NZH-museum in Haarlem en de tentoonstelling ‘Het doek valt voor de Blauwe Tram’ in dat museum op woensdag 16 maart.
Boudewijn Leeuwenburgh is consultant op het gebied van mobiliteit, lightrail en toerisme. Hij was van 1978 tot 1994 regiodirecteur District Zuid van de NZH. Op dit moment is hij o.m. voorzitter van de Voetgangersbeweging Nederland.
