De coalitievorming in 1978: afscheid van de linkse samenwerking in Leiden
In 1978 was de uitkomst van een maandenlange aanloop de vorming van een college van B&W met vier wethouders uit de PvdA en twee uit de VVD. Weliswaar behield de PvdA daarmee een meerderheidspositie in het college, maar de samenwerking met de andere linkse partijen was voorbij. Dat vond naast de verkiezingsuitslag zijn oorzaken in de ervaringen van de voorafgaande periode, maar was tegelijk een vorm van machtspolitiek. De spanningen over deze koerswijziging liepen in de PvdA hoog op, zowel in de fractie als in de afdeling. Over de voorgeschiedenis, de worsteling in de PvdA, de positie van de andere partijen, de onderhandelingen over en de uitkomst van de coalitievorming en hoe dat verder ging gaat dit artikel.
Bijzonder bij de gang van zaken was de opstelling van D’66. Deze partij, die in 1978 groeide naar drie zetels in de gemeenteraad, koos voor een college van PvdA, VVD en D’66, hield daar gedurende het gehele proces aan vast en bood geen opening naar een andere samenstelling, terwijl die partij daarin een doorslaggevende positie had kunnen hebben.
Een links programmacollege in de periode 1974-1978, de voorgeschiedenis
De uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van 1974 vertoonde in Leiden, net als in de meeste Nederlandse steden, een ruk naar links. Doordat Leiden inwoners had verloren nadat de stad jarenlang te weinig woningen had kunnen bouwen, zakte het aantal inwoners terug tot beneden 100.000 en daarmee ging het aantal te verdelen zetels in de gemeenteraad terug van 39 tot 37. Daarvan kreeg de PvdA er vijftien en de combinatielijst PPR /PSP/D’66 vier. Deze vier partijen hadden voor de verkiezingen uitgesproken dat als de gelegenheid zich zou voordoen, ze een links programmacollege wilden vormen. Met de krappe meerderheid van negentien zetels van de 37, maar met steun van het enige voor de CPN verkozen gemeenteraadslid, Dries Hoeven, werd een college gevormd van vijf wethouders uit de PvdA en een van D’66 uit de linkse combinatie.
Dat was een breuk met het in 1970 gevormde college dat noodgedwongen alleen wethouders telde uit de Prot.-Chr. Groepering (een gemeenschappelijke fractie van CHU, ARP en SGP), de KVP en de VVD. De linkse partijen, verenigd in het Progressief Akkoord (PAK), wilden alleen meedoen als ze de meerderheid van de wethouders konden leveren. Met zestien zetels van de toen 39 te verdelen raadszetels kon daar geen sprake van zijn, dus wilde het PAK in het geheel geen wethouders leveren. Het betekende dat de zes in 1974 verkozen wethouders van het linkse college allen nieuw waren in het college, al hadden vijf van de zes wel deel uitgemaakt van de gemeenteraad voor 1974.
Belangrijker nog dan de wisseling van de wacht bleek de veranderde bestuursstijl. Die werd tot aan 1974, met afspiegelingscolleges, gekenmerkt door wethouders die zich in grote lijnen lieten leiden door voorstellen vanuit de ambtelijke organisatie (uiteraard binnen de hoofdlijnen van afspraken bij de collegevorming, al betroffen die eerder een werkprogramma dan dat al duidelijke politieke keuzes werden overeengekomen), nu traden wethouders aan die zich binnen de lijnen van het collegeprogramma intensief bemoeiden met de beleidsvoorbereiding en de uitvoering van het beleid, opdrachten gaven aan de ambtelijke organisatie. Deze nieuwe wethouders doorbraken daarbij de ambtelijke hiërarchie en stuurden de behandelende medewerkers liefst zelf aan. In de vakliteratuur wordt dit wel aangeduid als ‘wethouderscultuur’.
De ambities van het nieuwe linkse college waren groot. Die konden niet worden gerealiseerd binnen de gemeentelijke begroting. Nu was, op aandringen van de linkse partijen, al in de vorige periode instemming verkregen van het kabinet om Leiden de artikel 12-status toe te kennen: extra geld uit het Gemeentefonds voor armlastige gemeenten, in ruil voor intensief toezicht op de inkomsten en uitgaven van Leiden van de kant van het Rijk, door de afdeling Inspectie van de directie Financiën Lagere Overheden, en de afdeling voor het toezicht op gemeentefinanciën van de provincie Zuid-Holland. Paul Bordewijk, wethouder Financiën vanaf 1980, die nog jarenlang te maken had met deze situatie en daar later een boek over schreef, had de ervaring dat zowel het Rijk als de provinciale overheid zich welwillend opstelde ten opzichte van Leiden.
Ook werd bij de toekenning van deze artikel 12-status de eis gesteld van reorganisatie van de Leidse ambtelijke organisatie. Die werd weinig doelmatig gevonden. Het was een overbekend probleem dat er te veel competentiestrijd was, vooral tussen de grote Dienst Gemeentewerken en de secretarie (het voorportaal vanuit de diensten naar het college van B&W). Met een eerste aanzet van een reorganisatie werd al voor 1974 begonnen, maar het gehele traject van reorganisatie zou uiteindelijk acht jaar duren.
Daarnaast zag het nieuwe college van 1974 kans om bijdragen te krijgen uit een belangrijke pot geld van het Rijk voor de stadsvernieuwing, de Interim Saldoregeling (ISR). Die was oorspronkelijk bedoeld voor de vier grote steden, maar werd verbreed met Groningen en Leiden en nog veel later konden ook andere steden er een beroep op doen. Leiden maakte zeer intensief gebruik van deze extra gelden en zou relatief de grootste gebruiker worden. De korte lijnen tussen de partijgenoten in het linkse college en het kabinet-Den Uyl hielpen daarbij.
Zulke korte lijnen zouden overigens nog jarenlang blijven bestaan ten gunste van Leiden. Niet alleen rond de PvdA, maar later ook, toen de VVD deelnam in het college en nog later toen Cees Goekoop (VVD) burgemeester was geworden in 1980, via contacten in die hoek. Langzamerhand werden ook contacten aangehaald in de hoek van het CDA, maar dat valt allemaal buiten het bestek van de collegevorming in 1978.
Bij herhaling hing het voortbestaan van het linkse college aan een zijden draad. Begin 1976 brak de PSP met de linkse combinatiefractie. Nadat de ledenvergadering van de PSP op 9 januari 1976 concludeerde dat de PSP geen steun meer moest geven, stapte de PSP op 14 januari uit de gemeenschappelijke fractie met PPR en D’66. Door deze breuk verloor het college de (krappe) meerderheid. Feitelijk was ook dit college een minderheidscollege geworden, net als het vorige. De PSP diende daarna een enkele maal een motie van wantrouwen in, gericht op een individuele wethouder, maar wenste het college niet te laten vallen. Dat zou immers de weg openen voor een veel behoudender college en daar voelde de PSP ook niet voor. Bovendien kregen die moties van wantrouwen niet de steun van een meerderheid van de gemeenteraad. En zo bleef het college in stand en bleven alle zes wethouders de volle periode op hun post.
“Waar ik altijd naar keek was hoe ik het spul uit elkaar kon spelen. Het was immers geen stabiele combinatie. Daarvoor hadden we twee strategieën ontwikkeld. Enerzijds mikken op de zwakkeren in het college, anderzijds mikken op de zwakkeren in de fracties. Om zo te kijken of we meerderheden konden forceren, bijvoorbeeld door een beetje te ageren tegen de zwakkere wethouders.” (Fred Kuijers, fractievoorzitter VVD)
Jit Peters, vanaf 1974 gemeenteraadslid voor de PvdA: “Kijk je naar waarover in later jaren wethouders over de laan uit werden gestuurd, dan kun je verbaasd zijn over de bestuurscultuur in die tijd. Begrotingsoverschrijdingen, het negeren van inbreng, het ondiplomatieke optreden naar buiten toe, het kon allemaal, omdat er resultaten werden geboekt.”
Voor het CDA (dat vanaf 1974 in de plaats was gekomen van de afzonderlijke fracties van Prot.-Chr. en KVP), de VVD en de combinatie SGP/GPV was er slechts een rol als ‘oppositie’, terwijl deze partijen juist opteerden voor een afspiegelingscollege en weerzin hadden tegen de gepolariseerde verhoudingen. Vooral tussen het CDA en de progressieve fracties verzuurden de verhoudingen. Dat zou nog jaren daarna doorwerken. Behalve die verzuring speelde mee dat er ook geen enkele band werd opgebouwd tussen CDA-raadsleden en die van andere partijen. Fred Kuijers wees er op dat na afloop van raadsvergaderingen een aantal mensen nog gingen napraten in sociëteit De Burcht, en dan ging het om raadsleden uit de progressieve fracties en de VVD. Dat waren voor een groot deel generatiegenoten, hadden gestudeerd en spraken elkaars taal. Uit de CDA-fractie zag je daar nooit iemand.
“Al met al was de oppositierol vanaf 1974 deprimerend. Je kreeg vanuit het CDA weinig voor elkaar, je zat er voor spek en bonen bij. Ik had er moeite mee nieuwe fractieleden te motiveren om het raadswerk te doen, terwijl daar zo weinig effect van uitging. Het was zonde van je tijd, als je het goed beschouwt. Het gaf ook weinig plezier.” (Hellmuth Driessen, fractievoorzitter CDA)
Wim Bleijie, gemeenteraadslid voor het CDA vanaf 1974: “Het was de lijn van de fractie dat wij voor een afspiegelingscollege gingen. Het was ook tegen de PvdA, die waren de verkiezingen ingegaan om daarmee te breken. Daar verschilden onze meningen over. De sfeer en het politieke klimaat in de gemeenteraad in die periode vond ik niet prettig. De PvdA had de verkiezingen gewonnen en buitte dat ook volledig uit. De andere partijen konden stampij maken wat ze wilden, maar dat haalde niets uit.”
De aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 1978
In het zicht van de verkiezingen van 1978 maakten partijen niet alleen een programma en een kandidatenlijst, maar waren ook bezig met mogelijke coalitievorming. Zo werd in de PvdA in 1977 een evaluatie gemaakt hoe het de afgelopen periode was gelopen en welke opties er zouden zijn voor 1978. Het is goed om stil te staan bij deze rapportage en de daarop volgende discussie in de PvdA, want die zou de opmaat vormen voor de latere verwikkelingen bij de collegevorming in de zomer van 1978.
In een extra editie van het ledenblad van de lokale PvdA, De Partijgenoot, van juli 1977, werd een rapport gepubliceerd van een commissie die een evaluatie had gemaakt van de ervaringen in de periode 1974-1977 en mede daarop gebaseerd enige aanbevelingen deed voor de opstelling van de PvdA in 1978 bij de vorming van een nieuw college. De commissie bestond uit René Elkerbout, afdelingsvoorzitter, Leendert Jonker, die hem een jaar later zou opvolgen, Kees Plug, Tjeerd van Rij en Steven de Vreeze. De meesten maakten deel uit van het afdelingsbestuur. Allen rond de dertig, man en academisch opgeleid. De commissie liet zich leiden door twee rapporten van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA. In die rapporten werd een lans gebroken voor het politiseren van de lokale politiek, het zichtbaar maken van een duidelijk onderscheid in politieke strevingen van de partijen, openbaarheid in alle opzichten en het werken met programma’s, niet alleen als politieke partij maar ook bij het vormen van coalities. Op die manier moest de lokale democratie versterkt worden en werd de herkenbaarheid van de PvdA op lokaal niveau gediend.
Deze maner van denken was in de Leidse PvdA al lange tijd geworteld, had in 1970 geleid tot de keuze voor het Progressief Akkoord, de samenwerking met andere progressieve partijen. In de evaluatie van 1977 werd echter opgemerkt dat de samenwerking met de PSP was mislukt. Telkens had de PSP gebroken met afspraken, zodat de commissie als eerste aanbeveling deed niet meer met de PSP samen te werken.
Zeker nadat de PSP in januari 1976 had gebroken met de coalitie, was de ervaring dat een college op zo’n smalle basis slecht werkbaar was. De commissie pleitte daarom voor een ‘werkbare meerderheid’. Weliswaar gaf zij de voorkeur aan een links programmacollege van PvdA, PPR en D’66, dat dan wel een meerderheid moest behalen, maar als dat laatste er niet in zat zou breder gekeken moeten worden. In dat geval zou samenwerken met de VVD de voorkeur hebben boven het CDA. Die voorkeur had mogelijk nog wel meer te maken met persoonlijke verhoudingen dan met een programmatische voorkeur. Met VVD’er Kuijers konden de wethouders duidelijk beter opschieten dan met CDA’er Driessen. Als er onvoldoende steun kon zijn voor een progressief programma, dan moest de PvdA kiezen voor de oppositie.
Opvallend is dat de oude eis van het PAK, het leveren van een meerderheid van de wethouders, niet expliciet was opgenomen in de aanbevelingen. Maar mogelijk was dit zo vanzelfsprekend dat dit niet meer hoefde te worden opgeschreven. De commissie sprak erover dat de PvdA, eventueel aangevuld met PPR en D’66, voldoende vertegenwoordigd moest zijn in het college.
In een volgende Partijgenoot publiceerde het afdelingsbestuur een resolutie, die sterk afweek van de aanbevelingen van de commissie en voorgelegd werd aan de ledenvergadering. In deze resolutie werd aangestuurd op een progressief programmacollege, zo nodig ook met steun of deelname van de PSP en de CPN, en zelfs van de SP, een nieuwe partij die nog niet in de gemeenteraad zat.
In de aanloop naar de ledenvergadering werden allerlei amendementen ingediend om deze resolutie aan te passen. Vooral de wijzigingsvoorstellen van de commissieleden Leendert Jonker, Kees Plug en Tjeerd van Rij vielen op, want die zouden bewerkstelligen dat de uitspraak van de ledenvergadering identiek werd aan de aanbevelingen van de commissie, wat van de resolutie dus niet gezegd kon worden.
Afdelingsvoorzitter René Elkerbout liet bij aanvang van de vergadering weten dat hij niet achter de resolutie stond. Hij ging de vergadering wel neutraal leiden, maar kon de resolutie dus niet verdedigen. Ook vicevoorzitter Jos Kessen, die had ontbroken in de bestuursvergadering waarop de resolutie werd opgesteld, liet weten er afstand van te nemen. De verdediging kwam daarmee op de schouders van Steven de Vreeze, die liet weten dat hij drie petten op had: lid van de evaluatiecommissie, bestuurslid en hij had ook deelgenomen in een groepje van zes partijgenoten dat ijverde voor voortzetting van een louter progressief college. Hij had er nu spijt van dat hij zich niet uit de evaluatiecommissie had teruggetrokken.
Alle amendementen van Jonker c.s. om de resolutie in lijn te brengen met de aanbevelingen van de evaluatiecommissie werden aangenomen, met als meest heikele punt de afwijzing van verdere samenwerking met de PSP. Dat laatste werd met 35 tegen 26 stemmen beslist.
Na deze nederlaag van de groep die enkel koos voor een progressief college stapte Steven de Vreeze op als bestuurslid.
Verder werd afgesproken dat een delegatie van drie bestuursleden en drie fractieleden zou gaan praten met PPR en D’66 over de samenwerking voor en na de verkiezingen. Duidelijk was al wel dat alle progressieve partijen met een eigen lijst en een eigen programma gingen meedoen aan de verkiezingen, er waren geen combinaties meer.
D’66 blijkt geen bijwagen van de PvdA
Er was een belangrijke complicatie voor de ideeën bij de PvdA over de komende collegevorming. D’66 had namelijk de conclusie getrokken niet meer deel uit te willen maken van een louter links college. Die partij zag zichzelf graag terug in een coalitie met de PvdA en de VVD.
Dat was natuurlijk niet voor niets. Twee redenen speelden daarin een rol. De eerste was dat aan D’66, zowel landelijk als lokaal, het imago werd opgehangen dat de partij een bijwagen was van de PvdA. Onvermijdelijk, ook bezien vanuit electorale strategie, kon D’66 zich dat beeld niet laten aanleunen. Weliswaar voelde men zich programmatisch sterk verwant met de PvdA, maar niet een verlengstuk. Programmatisch was er ook verwantschap met de VVD, beide partijen huldigden immers liberale beginselen, en met wat fantasie kon je zelfs zeggen dat D’66 was voortgekomen uit de VVD, een afscheiding was geweest van de progressief-liberale vleugel. Al verklaarde de politiek leider van de VVD in de jaren zeventig, Hans Wiegel, bij wijze van grap, dat de VVD geen vleugels, maar vlerken had.
Rond 1974 was D’66 op sterven na dood. Landelijk was het aantal leden teruggevallen tot minder dan 1000, er werd een ledenvergadering belegd om de partij op te heffen. Zo ver kwam het niet, omdat de statutaire meerderheid van twee derde niet werd gehaald. Als reactie stonden een aantal mensen op om de partij te revitaliseren. Ook in Leiden werd D’66 weer geactiveerd, met Hans Glaubitz als gangmaker. Hij werd afdelingsvoorzitter, werd aangewezen als lijsttrekker en zou ook de kandidaat-wethouder worden.
“Toen ik rond 1976 politiek weer actief werd, was er in Leiden niet eens meer een afdelingsbestuur. Ik fungeerde feitelijk als voorzitter en in 1977 werd ik ook formeel gekozen als afdelingsvoorzitter. Toen had D’66 ongeveer 35 leden in de regio Leiden. De Leidse afdeling werd dus heropgericht, maar ook in de omringende gemeenten werden weer afdelingen leven ingeblazen.” (Hans Glaubitz, lijsttrekker D’66 in 1978)
Glaubitz stuurde aan op een combinatie van PvdA, VVD en D’66, waarin zijn partij de verbindingsschakel moet zijn tussen PvdA en VVD:
“In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 1978 besloot D’66 dat men niet meer wilde meewerken aan een college van B&W dat op een nipte meerderheid in de gemeenteraad kon steunen. Men wilde een bredere basis. Tegelijk werd ook uitgesproken dat D’66 niet wilde deelnemen aan een college waarin ook het CDA zou zitten. De voorkeur ging uit naar een college van PvdA, VVD en D’66.”
Bert Oosterman, D’66-wethouder en geplaatst op nummer 2 van de kandidatenlijst van 1978, bleef juist een voorstander van een progressief college, maar had daar onvoldoende steun voor in de eigen partij.
Al eerder was gebleken dat Oosterman zich goed kon vinden in de samenwerking met de PvdA, en dat was toen D’66 zich beraadde over de eigen positie nadat de PSP in januari 1976 uit de coalitie was gestapt. John Kroon, indertijd stadsverslaggever bij het Leidsch Dagblad, vertelde in een interview:
“Er was een ‘ledenvergadering’ van D’66, toen de PSP uit ‘lijst 4’ stapte. De vraag deed zich voor in het Leidse D’66: moet nu onze wethouder, Bert Oosterman, opstappen? Buiten mij waren negen leden aanwezig in de (openbare) huiskamerbijeenkomst. Met zes tegen drie stemmen besloot men de wethouder niet terug te trekken.” Oosterman behoorde tot het zestal.
D’66 hield de voorkeur voor een college samen met PvdA en VVD vast tot aan de installatie van de gemeenteraad op 5 september 1978 en daar zou men achteraf spijt van krijgen. D’66 wilde bovendien niet voor de verkiezingen al afspraken maken en gebonden zijn aan een akkoord met de PvdA. Dat betekende dat, in tegenstelling tot bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1970 en 1974, nu geen gezamenlijk verkiezingsprogramma werd gemaakt.
De opstelling van de andere progressieve partijen: PPR, PSP
De PPR was positief over linkse samenwerking in de periode 1974-1978 en wilde door met een coalitie van PvdA, PPR, PSP en D’66. Laurens Beijen, de fractievoorzitter van de combinatie PPR-D’66 (de PSP was daar immers uitgestapt) werd aangewezen als lijsttrekker. Hij bemoeide zich intensief met de discussies in de PvdA over hun koers na de verkiezingen van 1978. Hij schreef brieven aan de PvdA, bezocht ledenvergaderingen van de PvdA en voerde daar het woord, alles met het doel om een progressief meerderheidscollege te bewerkstelligen. Hij werd in de PvdA gewaardeerd en de groep die in de PvdA vasthield aan een progressief meerderheidscollege meende dat Beijen wethouder moest worden.
De PSP vond het onterecht dat de ledenvergadering van de PvdA had uitgesproken dat men geen samenwerking met de PSP wilde. Weliswaar had de partij besloten geen wethouders te leveren, wat ook weinig realistisch was omdat men in de periode 1974-1978 slechts één zetel had in de gemeenteraad terwijl de verwachting was dat het daar in 1978 bij zou blijven, maar de partij was wel bereid een links college te steunen.
De PSP behaalde in 1978 twee zetels, maar nog steeds verklaarde de fractie daarna bij monde van Hilda Passchier, de lijsttrekker, dat zij wel linkse wethouders wilde steunen, alleen geen coalitie wilde vormen met de PvdA.
De opstelling van de andere partijen: CDA, VVD en CPN
Het CDA, dat in 1974 tegen de eigen wens in tot de oppositie was veroordeeld, hield vast aan de wenselijkheid van een afspiegelingscollege. Dat standpunt hield het ook vol na de verkiezingen, maar de fractie moest zich erbij neerleggen dat de progressieve partijen geen rol voor het CDA zagen en dat de VVD neutraal bleef en geen helpende hand toestak.
De VVD daarentegen had juist afscheid genomen van de noodzaak van een afspiegelingscollege en hield in het midden wat de uitkomst zou moeten zijn van coalitie-onderhandelingen. Na de verkiezingen ging de VVD constructief in op de uitnodiging van de PvdA om met elkaar te spreken over een coalitie. Daarover later.
“Kijk, het punt is altijd dat als je in het college zit je veel meer te vertellen hebt dan wanneer je niet in het college zit. In de vorige periode (1974-1978, AdJ) was het overgekomen dat wij er voor spek en bonen bij hadden gezeten. Sommige van mijn partijgenoten waren daar gefrustreerd door.” (Fred Kuijers, fractievoorzitter VVD)
De CPN was nooit betrokken geweest bij een progressieve coalitie en dat veranderde niet rond 1978, al werd wel gesproken met die partij over mogelijke steun aan zo’n coalitie. Vooraf aan de verkiezingen verklaarde de CPN, zoals het dat ook had gedaan in 1974, dat het de vorming van een progressief college wilde steunen door op de wethouderskandidaten te stemmen.
In de periode 1974-1978 had de combinatie SGP/GPV één zetel, eerst ingenomen door een lid van de SGP en ongeveer halverwege overgenomen door een lid van het GPV. Omdat de combinatie in 1978 geen zetel wist te behalen was het geen factor meer bij de collegeonderhandelingen.
De kandidatenlijst van de PvdA wordt omgegooid
Bij de opstelling van de kandidatenlijsten waren er enkele interessante ontwikkelingen.
Blijkens de Leidse Courant van 25 februari 1978 was er bij de PvdA een spannende en lange vergadering geweest. Het Leidsch Dagblad schreef over een marathonzitting.
In de zittende gemeenteraad bezette de PvdA vijftien zetels en men rekende er op dat aantal opnieuw te behalen of mogelijk winst te maken..
Lijsttrekker werd net als vier jaar daarvoor wethouder Hans van Dam, unaniem aangewezen. Het meest opvallend op de voorgestelde kandidatenlijst was de lage plaatsing van Dick Tesselaar, op plaats 13. De achtergrond was dat deze wethouder arrogant werd gevonden en zich had gekeerd tegen de subsidie voor zogeheten VOS-cursussen: Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving. Dat werd hem zeer kwalijk genomen bij de Rooie Vrouwen en dat werkte door bij de beoordeling door de kandidaatstellingscommissie.
Er was direct al een stemming nodig op plaats 2 waar Jan Duivesteijn was voorgesteld en uit de vergadering Dick Tesselaar tegenkandidaat werd gesteld. Hoewel Duivesteijn zelfs verklaarde zijn plaats aan Tesselaar te willen afstaan, besloot de vergadering anders. Ook daarna werd Tesselaar telkens ingezet, maar het lukte pas bij plaats 9 hem hogerop te krijgen. Daarmee zakte fractievoorzitter Leo Meijer die daar was voorgesteld naar plaats 10. Interessant detail is wellicht dat Dick Tesselaar bij de raadsverkiezingen maar liefst 1261 voorkeursstemmen kreeg, en dus ruimschoots op eigen kracht werd verkozen.
Daarnaast bleek er weerstand om wethouder Tinus van Aken (voorgesteld op plaats 11) verkiesbaar te houden: hij zakte telkens een plaats, doordat steeds een tegenkandidaat werd gesteld die werd verkozen. Het begon ermee dat een mogelijk opvolger van hem als wethouder, Alphons Ranner, voorgesteld op plaats 16, op 11 werd geplaatst. Pas om 2 uur ’s nachts werd Van Aken op plaats 17 verkozen, en het lag niet in de verwachting dat die plaats verkiesbaar zou zijn. Daarmee kon hij ook geen wethouder blijven, want die werden toen ‘uit en door de gemeenteraad’ gekozen.
Opvallend, met de ogen van nu, was dat de eerste vrouw pas op plaats 7 stond, Marie-Anne Koning. Wel steeg Henriëtte van Dongen, in het voorstel op plaats 17, naar plaats 14 op de lijst en dat bleek bij de uitslag van de verkiezingen van 1978 nog juist verkiesbaar te zijn.
Weliswaar was Hans van Dam lijsttrekker geworden, net als vier jaar eerder, maar in de herinnering van Jan Duivesteijn had het ook anders kunnen lopen. Hij zei daarover:
“In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 1978 ben ik gepolst om lijsttrekker te worden. Dat heb ik geweigerd. Ik had het gevoel dat zij dachten: Die gewone jongen moet het worden, want dat trekt stemmen. Dat zinde me niet. Daarbij had ik een voltijdsbaan als tandtechnicus; ik kon mijn werk niet combineren met een lijsttrekkerschap (en later fractievoorzitterschap). Dat is een verschil met die universitaire types, die konden gemakkelijk een middagje vrij krijgen.”
De voorbereiding bij andere partijen
De kleinere linkse partijen gingen deze keer afzonderlijk de verkiezingen in. Bij de PPR, die twee zetels had in de gemeenteraad, werden de zittende raadsleden Laurens Beijen en Frits van Oosten op 1 en 2 gezet. De PPR behaalde echter één zetel in 1978.
De PSP had één zetel, sinds 1977 bezet door Hilda Passchier. Zij werd lijsttrekker en door de winst van een zetel kwam ook Jos van der Putten in de raad.
D’66 had in de zittende gemeenteraad één zetel, bezet door Bert Oosterman die ook wethouder was. Lijsttrekker werd echter Hans Glaubitz, afdelingsvoorzitter en belangrijke motor achter de heropleving van D’66 in Leiden. Hij werd aangemerkt als kandidaat-wethouder, net als Oosterman die op de tweede plaats van de kandidatenlijst stond. Een keuze wie D’66 in de onderhandelingen naar voren zou schuiven maakte de partij nog niet. Omdat D’66 drie zetels behaalde, een onverwacht succes, werd ook Jan Hoekema raadslid.
De CPN had in de zittende raad één zetel, met Dries Hoeven, die lijstrekker was en als eenling terugkeerde in de gemeenteraad vanaf 1978.
De combinatie SGP/GPV, nu versterkt met de RPF, verloor de enige zetel die ze had.
Het CDA had net als in 1974 een kandidatenlijst opgesteld waarin rekening werd gehouden met de ‘bloedgroepen’ (de fusie van de drie confessionele partijen zou pas in 1980 zijn beslag krijgen, tot zo lang bleef het CDA een samenwerking van drie apart opererende partijen: KVP, ARP en CHU). De lijst was een gewogen menging van kandidatenlijsten die door de drie afzonderlijke partijen werden opgesteld en kandidaten die door he overkoepelende CDA-afdelingsbestuur werden toegewezen. Met de KVP als grootste partij moest de lijsttrekker uit die kring komen. Door het CDA-bestuur werd Hellmuth Driessen aangewezen. Daarbij ging het in tegen de voorkeur van de ledenvergadering van de KVP. Die had op de KVP-lijst Jan van Zijp bovenaan gezet en Driessen pas op de derde plaats, na Margreet van Akkeren.
Na de KVP’er Driessen plaatste het CDA-bestuur Cees Vink (CHU) op 2 en Corrie Kramp-Heitink (ARP) op 3. Ook verschenen op de CDA-kandidatenlijst drie kandidaten bij de eerste twintig plaatsen die geen lid waren van de drie fuserende partijen, maar ‘rechtstreeks lid’ waren geworden van het CDA. Verkiesbaar, op plaats 7, stond als rechtstreeks CDA-lid Joop Walenkamp, die jaren later, in 1990, wethouder zou worden.
Het CDA had in de zittende gemeenteraad negen zetels, maar boekte winst bij de raadsverkiezingen en kwam op elf zetels.
Bij de VVD werd Fred Kuijers lijsttrekker. Slechts één raadslid van die partij stopte en dat bood de mogelijkheid de fractie te versterken met een vrouw, Jos Fase-Dubbelboer, tot dan de fractiemedewerker: de VVD-fractie van zeven leden bestond in de periode 1974-1978 uit alleen mannen! Ook na de verkiezingen telde de VVD-fractie zeven leden.
Overigens had de VVD al in de periode 1966-1974 met Elly den Haan de eerste vrouwelijke wethouder van Leiden geleverd, en nu met Jos Fase de tweede..
De verkiezingsuitslag van 1978 en de eerste reacties
Nu het inwonertal van Leiden weer meer dan 100.000 was, bestond de gemeenteraad vanaf 1978 opnieuw uit 39 leden. De deelnemende partijen uit het college van B&W van 1974 behaalden samen weer een nipte meerderheid. Naast de veertien zetels van de PvdA waren dat er drie voor D’66, twee voor de PSP en één voor de PPR. Samen 20 van 39. Maar er was nu geen onderlinge afspraak vooraf, terwijl D’66 al op voorhand had laten weten niet te willen deelnemen aan een louter progressief college.
Nadat de PvdA in de peilingen lange tijd op winst had gestaan, op enig moment zich rijk rekenende met achttien zetels, viel het verlies van een zetel behoorlijk tegen.
In de kring van het CDA was men opgetogen: twee zetels winst en nu met elf zetels bijna even groot als de PvdA. De VVD bleef stabiel op zeven zetels, SGP/GPV/RPF haalde de kiesdeler niet, en dat gold ook voor de SP. De CPN behaalde één zetel.
Het Leidsch Dagblad schreef de dag na de verkiezingen dat men bij de PvdA er rekening mee hield nu de oppositie in te gaan, terwijl D’66 in een jubelstemming verkeerde. De VVD hield alle opties open en het CDA zag mogelijkheden om met de PvdA tot een vergelijk te komen. Alles volgens de krant en als eerste reacties op de uitslag. In de dagen erna kwamen fracties bijeen en kwamen tot conclusies over de opstelling bij de onderhandelingen over een nieuw college.
Hans van Dam, de lijsttrekker voor de PvdA, schetste later hoe hij de uitslag zag en de onderhandelingen die daarna volgden: “Na de verkiezingen van 1978 hadden de partijen die het college van 1974-1978 hadden gevormd en gesteund wel opnieuw een meerderheid, maar de linkse samenwerking viel uiteen. PvdA haalde 14 zetels, D’66 kwam op drie, de PSP had er twee en de PPR één. Samen 20 en dus een krappe meerderheid. En dan was er ook nog iemand voor de CPN. Het was echter geen werkbare meerderheid, want D’66 voelde niets voor het doorgaan met een louter progressief college.”
De onderhandelingen om tot een nieuw college van B&W te komen: de eerste schermutselingen
Al snel na de verkiezingen van 31 mei nodigde Hans van Dam, als nieuwe fractievoorzitter van de PvdA, de leiders van de andere verkozen fracties in de Leidse raad uit om te overleggen over de verdere procedure om te komen tot de nieuwe coalitie. De delegatie van de PvdA bij deze eerste verkenning bestond, naast Van Dam, uit Jit Peters, Joyce Hes en een lid van het afdelingsbestuur. Bewust niet de vorige fractievoorzitter Leo Meijer en andere wethouders, om vrijer te kunnen spreken met andere fracties.
De PvdA-fractie was er tijdens een besloten vergadering niet uitgekomen welke voorkeur ze had en wilde eerst horen hoe de andere fracties de verdere gang van zaken voor zich zagen. In het Leidsch Dagblad stond dat deze lijn niet unaniem gekozen was. Een minderheid van de fractie had wel een keuze willen maken, voor een links college.
“In de fractie van veertien was er een minderheid van vier die hoe dan ook een college over links wilden: Aad Groos, Joyce Hes, Frans Mentzij en ik. Deze vier hadden wel een ander standpunt, maar ze opereerden niet als een clubje, hadden geen onderling overleg.”(Henriëtte van Dongen-van der Linden, PvdA)
Aad Groos bevestigde dat de vier fractieleden met een voorkeur voor een links college niet als groep functioneerden. Op geen enkel moment zijn deze vier bij elkaar gaan zitten om zo te opereren. Groos wees er wel op dat naar zijn indruk Henriëtte van Dongen-van der Linden wel werd gevoed vanuit de Rooie Vrouwen, die had daarmee een achterban.
De fractie van D’66 kwam bijeen op zaterdag 3 juni en liet daarna (opnieuw) weten graag in een college met PvdA en VVD te stappen en als dat mislukte geen trek te hebben in een college samen met CDA en VVD. Tegelijk zag de fractie een links college ook niet zitten en wilde daar geen deel van uitmaken. D’66 hield dus vast aan de lijn die de partij voor de verkiezingen al had uitgesproken.
Op 15 juni kwam naar buiten dat de CDA-fractie vasthield aan een afspiegelingscollege van PvdA, CDA, VVD en mogelijk D’66. Het CDA kwam zelfs met een plan hoe de besprekingen gevoerd zouden moeten worden, door de instelling van zeven commissies voor de programmaonderdelen. Dat werd door de andere fracties genegeerd.
Daarmee lagen de beginposities voor de onderhandelingen vast: de PvdA hield alle opties open, al speelde op de achtergrond dat samenwerking met het CDA werd afgewezen. Het CDA wilde een afspiegelingscollege, op basis van een programma, terwijl de VVD de handen vrijhield. D’66 had een duidelijke voorkeur en vervulde een sleutelpositie.
“Een van de grote problemen van die onderhandelingen was de lange tijd die we moesten overbruggen. De verkiezingen waren in mei en uiterlijk in september moest er een nieuw college zijn. Belachelijk lang, dat heeft mij m’n zomervakantie gekost. Het was een vrij traag spel.” (Fred Kuijers, fractievoorzitter VVD)
De onderhandelingen komen op gang, het CDA haakt af
Pas een paar weken later lag er een plan van de PvdA-fractie. Zij wilde nu eerst een voorlopige programmatische overeenstemming bereiken met D’66 en PPR, om dan te kijken of dat programma steun kon krijgen van VVD, PSP en/of CPN. Het CDA was voor de PvdA-fractie buiten beeld geraakt. Een programmavergelijking leidde tot de conclusie dat de afstand tussen het eigen programma en dat van het CDA te groot was. Aangenomen mag worden dat de weerstand tegen samenwerking met het CDA de doorslag gaf. Daarbij speelde een rol dat het CDA een afspiegelingscollege wilde en dan kon de PvdA geen dominante positie in het college krijgen.
“In die fase stond het CDA duidelijk apart, in lijn met de stevige oppositie uit de periode 1974-1978, maar inhoudelijk waren de verschillen tussen de partijen gering. Er was grote overeenstemming over wat er met de stad moest gebeuren. Tot mijn verrassing liet D’66 in dat overleg weten dat men een college wilde met PvdA en VVD en niet wilde meewerken aan voortzetting van een progressief college. In de PvdA vond men het teleurstellend dat D’66 een progressief college blokkeerde. Maar als dan toch de VVD in beeld kwam, zou D’66 niet nodig zijn om ook aan zo’n college deel te nemen. Dus was de conclusie dat de PvdA verder wilde spreken met de VVD. Daaraan ging vooraf dat ik gesprekken voerde met Fred Kuijers en Piet-Hein Schoute om te verkennen of de VVD tot zo’n onderhandeling bereid was.” (Hans van Dam, PvdA)
Aad Groos, weliswaar voorstander van een links college, meent dat de inhoudelijke verschillen tussen alle partijen niet onoverkomelijk waren. De afkeer om samen te werken met het CDA berustte volledig op de wijze waarop de CDA-fractie, en dan vooral voorzitter Hellmuth Driessen, in de voorgaande periode tekeer was gegaan tegen het linkse college.
Op 10 juli was de eerste vergadering van vertegenwoordigers van de fracties van PvdA, D’66 en PPR om tot een ‘programmaschets’ te komen. Ze waren er snel uit, want al drie dagen later, op 13 juli, werd deze programmaschets vastgesteld en voorgelegd aan VVD, PSP en CPN. Naar verluidt bevatte deze programmaschets 25 punten en kon worden gezien als een voortzetting van het collegebeleid van de voorgaande vier jaar.
Hans van Dam maakte bekend dat de drie partijen die werden uitgenodigd voor een vervolg op basis van gelijkwaardigheid konden meespreken over een definitieve tekst, dus konden onderhandelen.
Op 17 juli besloot de VVD-fractie daarom het gesprek aan te gaan. Bij de PPR begon men onraad te ruiken nu de VVD aan tafel zou komen en bij D’66 waren ze uiteraard tevreden: dit was precies wat ze wilden.
Op 28 juli werd bekend dat PSP en CPN ook wilden meepraten, maar dat ze de deelname van de VVD betreurden. Ze zagen immers mogelijkheden voor een links college. Toch wilden ze niet afhaken nu de VVD ook aan tafel zat. Ze hoopten dat die besprekingen zouden vastlopen en de PvdA-fractie dan een geheel progressief college zou willen formeren. Op 31 juli stond er een brief in het Leidsch Dagblad van PSP-fractievoorzitter Hilda Passchier om nog eens te benadrukken dat de PSP deelname van de VVD aan een college afwees en dat haar partij steun wilde geven aan een links college.
De CDA-fractie beraadde zich over de ontstane situatie waarin men geheel buiten spel was geraakt. De fractie hoopte dat er zulke brokken zouden vallen dat het CDA weer in beeld kon komen.
“De verkiezingsuitslag betekende dat er geen links meerderheidscollege gevormd kon worden. Een links minderheidscollege (PvdA, D’66 en PPR, met steun van de PSP) met aanvullende steun van de CPN was mogelijk, maar vooral de PvdA was hierover verdeeld. Terwijl de PvdA-wethouders een duidelijker meerderheid wilden om zo meer armslag te hebben (dus: regeren met de VVD), wilde een groot deel van de PvdA-leden tóch een links minderheidscollege. Ik probeerde in deze discussie de PvdA over te halen om te kiezen voor een links college. Ik bezocht, ‘als linkse vriend’, de ledenvergaderingen van de PvdA en pleitte daar voor een links college. De manier waarop het PvdA-VVD-college uiteindelijk tot stand kwam, vergeleek ik destijds met politiek handjeklap.” (Laurens Beijen, PPR)
De VVD aan tafel, het klikt goed tussen PvdA en VVD
Op 5 augustus werd het eerste overleg gehouden met de VVD-fractie erbij. Die legde direct een eis op tafel: meedoen van de VVD betekende dat ze twee wethouders wilden leveren. Ook was de VVD toen van mening dat deelname van D’66 moest betekenen dat deze fractie ook een wethouder zou leveren. Hans Glaubitz (D’66) onderschreef de wens dat zijn fractie een wethouder moest leveren. Van de kant van de PvdA werd hier nog niet op gereageerd.
“Er is lang gesproken tussen PvdA, VVD en D’66 over het collegeprogramma. D’66 is helemaal niet betrokken bij de zetelverdeling in het college. D’66 werd achter de rug om buiten het college gehouden. Via de zijlijn hoorde Jan Hoekema wel eens wat, want die was toen bevriend met Fred Kuijers.” (Hans Glaubitz, D’66)
De VVD had 70 amendementen bij de programmaschets. De inhoud hiervan was, net als de programmaschets, geheim: eerst onderhandelen, dan pas een bericht naar buiten. De onderhandelaars van PvdA en VVD brachten wel naar buiten dat het ging over een stuk of twintig geschilpunten. In deze fase namen vertegenwoordigers van D’66 en PPR, terwijl zij wel hadden meegewerkt aan het maken van de programmaschets, niet meer deel aan de onderhandelingen.
Laurens Beijen (PPR) liet weten dat in zijn visie de afstand van de programmaschets tot de PSP veel kleiner was dan tot de VVD en dat hij goede hoop had dat er toch een links college gevormd kon worden. De PSP bleef op het standpunt staan geen binding te willen hebben met een college (dus ongeacht de samenstelling), dus geen programma te gaan ondertekenen, laat staan een wethouder te leveren, maar een links college wel mogelijk te willen maken. De CPN stelde zich op het standpunt dat het vormen van een links college goed mogelijk was en dat deelname van de VVD onnodig was. Hoe dan ook, omdat de PvdA met de VVD was aan spreken, stonden PSP en CPN buitenspel.
Toen kwam er een kink in de kabel. Op 11 augustus lekten de notulen uit van een vergadering van de D’66-fractie. Daarin stond de conclusie dat ze niet akkoord konden gaan met twee wethouders van de VVD. In de visie van de D’66-fractie moest de VVD inschikken en ruimte maken voor een wethouder uit D’66, omdat D’66 als breekijzer fungeerde dat de VVD kon deelnemen.
Voor de VVD was dit niet acceptabel. De PvdA-fractie wees de eis van D’66 om een wethouder te leveren als die ten koste moest gaan van vier PvdA-wethouders eveneens af. Ze hield vast aan een college met zes wethouders. Daarop probeerde D’66 de kou iets uit de lucht te halen door te verklaren de eis van de VVD om twee wethouders te leveren redelijk te vinden, maar dat er wel een probleem zou ontstaan als er maar zes wethouders verkozen werden. De fractie vroeg niet een college te vormen met zeven wethouders, om zo mogelijk te maken dat D’66 ook een wethouder kon leveren. Deze oplossing werd evenmin aangeboden door PvdA en VVD. Later zou PvdA-onderhandelaar Hans van Dam droogjes verklaren dat D’66 getalsmatig niet nodig was: een college van PvdA en VVD kon immers steunen op 21 zetels in de gemeenteraad, een werkbare meerderheid.
“Bij D’66 werd geredeneerd dat de PvdA dan bereid moest zijn een wethouderszetel af te staan. Het was immers zo soepel gegaan om een collegeprogramma overeen te komen, dus werd bij D’66 gedacht dat PvdA en VVD er graag D’66 bij wilden hebben. Het bleek echter dat noch de PvdA, noch de VVD een zetel wilde opgeven voor D’66.” (Jan Hoekema, D’66)
Een dag later, op 12 augustus, liet Hans van Dam weten dat de verschilpunten met de VVD overzichtelijk waren, daar kon over gepraat worden. Hij liet zich in dit stadium naar buiten niet uit over de vraag of hij wilde kiezen voor de VVD of mogelijk een voorkeur had voor gedoogsteun van de PSP. Die laatste variant zou immers naast de achttien zetels van PvdA, D’66 en PPR met de twee zetels van de PSP net aan een meerderheid van twintig zetels betekenen. Binnen eigen kring was het echter duidelijk dat de onderhandelingsdelegatie van de PvdA aanstuurde op overeenstemming met de VVD.
Al snel, op 15 augustus, schoof de PSP wat verder op om een links college mogelijk te maken en zegde publiekelijk haar gedoogsteun toe.
Weer een dag later liet de PPR weten niet met de VVD in zee te willen gaan: als de PvdA ervoor koos door te praten met de VVD haakte de PPR af. De PvdA moest nu kiezen welke kant ze op wilde. Op 18 augustus besloot de PvdA-fractie (met zeven tegen vijf stemmen) ‘voorwaardelijk’ met de VVD door te willen gaan.
Nu zat D’66 met een dilemma: kon de partij nu wel of niet aanschuiven in een college van PvdA en VVD? En wat te doen als aan D’66 geen wethouder zou worden gegund? De fractie liet op 19 augustus weten zich eerst te willen beraden voordat verder gepraat kon worden. Bert Oosterman, de zittende D’66-wethouder, maakte bekend niet beschikbaar te zijn in een college met de VVD.
Een paar dagen later, op 22 augustus kwam de ledenvergadering van D’66 bijeen. Daar werd besloten te kiezen voor een college met de VVD, mits D’66 zelf ook een wethouder kon leveren. Daarmee was een links minderheidscollege met gedoogsteun van de PSP voorlopig van de baan. Hans Glaubitz vertelde aan de media dat het voor D’66 meespeelde dat de PSP in de vorige perioden tweemaal de samenwerking met links had verbroken. Binnen D’66 verzette Ton van Brussel, de afdelingssecretaris, zich tegen de keuze voor de VVD: hij voorspelde dat D’66 buiten een college van PvdA en VVD zou worden gehouden. Twee weken later bleek hij gelijk te krijgen.
“De machtsverhoudingen waren vrij duidelijk. Ik herinner me dat D’66 er op een gegeven moment uitgegooid is. De eis van de PvdA was dat als D’66 aan het college meedeed, de VVD een wethouderspost moest opgeven; die zou dan naar D’66 gaan. Dat heb ik toen ervaren als een machtstruc van de PvdA. Ik heb de mogelijkheden nog wel met fractievoorzitter Hans Glaubitz verkend. Dat was in Parijs, waar wij op een of andere manier tegelijkertijd waren. Wij hebben toen in een restaurant, bij een goede, eenvoudige doch voedzame maaltijd, de zaken doorgenomen. Ik heb niet helemaal helder meer wat we precies bespraken.” (Fred Kuijers, fractievoorzitter VVD)
Hans Glaubitz heeft hier een andere herinnering aan: “Achteraf, na de onderhandelingen, spraken Fred Kuijers en ik elkaar, toevallig, in Parijs waar we beiden voor ons werk waren. In dat gesprek zei Fred Kuijers dat D’66 nooit het CDA had moeten uitsluiten, dan hadden de onderhandelingen wellicht anders gelopen. In dat geval zou de kans groot zijn geweest dat de PvdA niet om D’66 had heen gekund, want dan zou de VVD zich positief hebben uitgelaten over een variant met het CDA.” Fred Kuijers vindt dat achteraf een vreemde, zo niet inconsistente weergave. Hij wijst er op dat zowel D’66 als de VVD geen behoefte hadden met het CDA samen te werken, dus zou zo’n stap om steun te zoeken bij het CDA hebben bewerkstelligd dat de VVD direct zou kiezen voor afspraken met de PvdA.
Het CDA zag in de gang van zaken aanleiding om in de aanloop naar de ledenvergadering van D’66 een aanbod te doen aan VVD en D’66 om een college te vormen zonder de PvdA. In dat geval kon D’66 rekenen op een wethouder. De ledenvergadering van D’66 wees dat aanbod lachend van de hand.
Op 23 augustus werd in het Leidsch Dagblad een voorlopige balans opgemaakt van drie maanden onderhandelen, zonder dat al helder was waar het op uit zou draaien. Het beeld was van een zigzagkoers van D’66. Op die manier had het opeisen van een D’66-wethouder in het college bij PvdA en VVD veel krediet verspeeld. Even opmerkelijk werd de keuze van de PvdA voor de VVD gevonden, nadat in de verkiezingscampagne de PvdA zo negatief over de VVD was geweest. De krant noemde het vormen van een college van PvdA en VVD ‘een roos in het liberale knoopsgat’.
Hans van Dam vertelde achteraf te hebben gehoord dat de voorstanders in de PvdA van een progressief college ook niet stil zaten: “Tegelijk was er een aantal mensen in de PvdA-fractie die een plan hadden om bij D’66 de bereidheid te krijgen wel deel te nemen aan een progressief college. Dan zouden kandidaten uit D’66 die een progressief college wilden blokkeren niet in de gemeenteraad moeten gaan zitten en kandidaten die wel een progressief college wilden zouden wel in de gemeenteraad moeten gaan zitten. In dat plan zou Ton van Brussel de kandidaat wethouder uit D’66 moeten zijn.” Mogelijk was dit alleen en gerucht, voor zo ver het al een realistisch scenario kon zijn. Aad Groos verklaarde dat hij hier nooit iemand over had gehoord, en dat het in zijn ogen ook geen realistisch idee kon zijn. Ook Van Brussel verklaarde vele jaren later niet van dit scenario te hebben geweten.
Afrondende besprekingen van PvdA met VVD, positie D’66 hangt in de lucht
De besprekingen over het programma werden eind augustus voor de VVD gevoerd door Kees van Duijn. Fred Kuijers had een korte vakantie opgenomen, want door alle overleg was het daar nog niet van gekomen. Jaren later verklaarde Van Duijn dat hij als enige in zijn fractie juist tegen een college van PvdA en VVD was. Fred Kuijers had de onderhandelingen aan Van Duijn overgelaten, die toen nog tegenstander was van een coalitie met de PvdA: “Want als hij ermee zou instemmen dan was er geen tegenstand meer in de fractie.”
Van Duijn verwachtte dat de punten die hij vanuit de VVD naar voren bracht zouden worden afgewezen en dat zo’n college er niet zou komen. Tot zijn verrassing vielen de punten van de VVD, vooral gericht op de economische ontwikkeling, juist goed bij de delegatie van de PvdA en werden overgenomen. Bovendien vond hij de sfeer constructief. Zo was er groen licht vanuit de VVD om in een college me de PvdA te stappen. Al bleef natuurlijk de kwestie van al of niet deelname door D’66 onopgelost. Hoe dan ook wilde de VVD alleen meedoen met twee wethouderszetels.
“De VVD-fractie wilde wel samen met de PvdA, ik was de enige die dat niet zag zitten. Ik kreeg de kans als onderhandelaar op te treden, waarmee ik zelf kon beslissen wat ik eruit wilde halen. Iedereen was op vakantie gegaan, ik niet en daardoor heb ik in mijn eentje vanuit de VVD die onderhandelingen geleid. Ik ben de onderhandelingen ingegaan met de intentie ze niet te laten slagen. Ik had immers een grote hekel aan Hans van Dam, toenmalig wethouder van Financiën en onderhandelaar namens de PvdA. Ik heb vervolgens met Van Dam en Jan Duivesteijn onderhandeld. Dat hebben ze heel zakelijk en begripvol voor onze positie gedaan. Van Dam zei tegen mij dat hij door mij geholpen moest worden om de samenwerking aan zijn achterban te verkopen door niet veel publiciteit aan de onderhandelingen te geven. Ik begreep dat en heb hem die ruimte gegeven.” (Kees van Duijn, VVD)
Er lag nu een programma waarover PvdA, VVD en D’66 het eens waren. Dat was echter aan de vooravond van een zigzagkoers bij de PvdA.
In de aanloop naar de ledenvergadering van de PvdA op 25 augustus liepen de besprekingen tussen PvdA, VVD en D’66 vast op de verdeling van de wethouderszetels. Afgesproken werd om eerst af te wachten of de achterban van de PvdA akkoord kon gaan en dan de besprekingen te hervatten op 26 augustus. Binnen de PvdA bleef er immers verdeeldheid over de vraag of doorgegaan moest worden met het vormen van een college met de VVD of dat beter gekozen kon worden voor een links minderheidscollege met gedoogsteun van de PSP. De druk vanuit de PSP werd opgevoerd door een open brief aan de PvdA, waarin er verbazing over werd uitgesproken dat er overeenstemming kon bestaan, terwijl naar het oordeel van de PSP de verkiezingsprogramma’s van PvdA en VVD erg uiteenliepen.
Impasse: PvdA-fractie wil met de VVD, maar de ledenvergadering stemt dat af en wil over links
De ledenvergadering van de PvdA kwam op vrijdag 25 augustus bijeen in de bovenzaal van Het Parlement, aan de Nieuwstraat. De tegenstellingen tussen de onderhandelingsdelegatie van de fractie en de minderheid van vier leden daarvan kwamen volop tot uitdrukking. Na een lange discussie besloot de vergadering met 60 tegen 49 stemmen om te stoppen met de VVD en gaf ze de opdracht aan de fractie een links college te vormen. Daartoe moest het gesprek gevoerd worden met D’66, PSP, PPR en CPN.
Volgens het Leidsch Dagblad was dit het resultaat van een langdurige en chaotische ledenvergadering.
In deze ledenvergadering spraken niet alleen de eigen PvdA-leden, maar hield ook PPR-fractievoorzitter Laurens Beijen een pleidooi voor een links college. Hans van Dam hield de vergadering voor dat een uitspraak tegen een college met de VVD kon uitlopen op een oppositierol voor de PvdA. Een meerderheid meende evenwel dat een links college gevormd kon worden, al moest D’66 dan wel af van het standpunt dat men geen zaken wilde doen met de PSP en met de VVD in zee wilde.
Twee dagen eerder had de ledenvergadering van D’66 juist gekozen voor een college met de VVD. Het zat er niet in dat D’66 daar nog van af zou wijken, maar dat werd genegeerd door de meerderheid in de ledenvergadering van de PvdA.
Met de uitspraak van de vergadering werd de PvdA-fractie in een lastig parket gemanoeuvreerd. Niet alleen omdat er nog maar tien dagen resteerden voordat de gemeenteraad geïnstalleerd zou worden en wethouders aangesteld moesten worden, maar ook omdat de partijen die een linkse coalitie moesten vormen er uiteenlopende ideeën op nahielden.
“De dag erna trok ik me terug als eerste onderhandelaar. Ik had me immers ingespannen om een akkoord met de VVD te bereiken en wilde voorkomen dat, als de besprekingen met de progressieve fracties geen resultaat zouden hebben, mij verweten kon worden dat ik op een mislukking daarvan uit was geweest. Jan Duivesteijn nam de taak over om te komen tot een progressief akkoord.” ( Hans van Dam, PvdA)
Een mislukte poging een links college te vormen
Nu de besprekingen met de VVD werden stopgezet was overleg nodig met de kleine linkse partijen en D’66. Hans van Dam trad terug, waarna de PvdA-fractie nummer 2 van de kandidatenlijst, Jan Duivesteijn, aanwees als waarnemend fractievoorzitter, onderhandelaar en gespreksleider. Overigens behoorde Duivesteijn wel tot de meerderheid in de fractie die voorstander was van een college met de VVD, maar hij werd door iedereen gewaardeerd. Hij moet zelfs, zo verklaarde Jit Peters, aangeduid zijn als ‘mr. Clean’.
Bij D’66 viel de wending in de PvdA niet goed. Fractievoorzitter Hans Glaubitz liet weten dat ze er bij D’66 niet anders over gingen denken, nu de PvdA plotseling een andere koers ging varen. De uitnodiging vanuit de PvdA om op 28 augustus rond de tafel te gaan werd wel geaccepteerd, maar in de eerste plaats om te vernemen waar die partij zelf stond.
De VVD liet weten, bij monde van Kees van Duijn, dat ze de opstelling van de PvdA onbegrijpelijk vonden, zeker in het licht van de goed gelopen onderhandelingen. Hij sprak de hoop uit dat de besprekingen voor een linkse coalitie zouden vastlopen en dat de PvdA de draad met de VVD weer zou oppakken.
Het CDA deed een beroep op alle partijen een college te vormen op basis van een ruime meerderheid. De VVD liet daarop weten nu geen reden te zien het CDA erbij te betrekken.
Op 29 augustus verklaarde D’66 niet deel te willen nemen aan een links college, maar evenmin aan een college met CDA en VVD. De fractie bleef bij de keuze voor deelname aan een college met PvdA en VVD. Wel sprak ze de bereidheid uit, als er toch een links college zou komen, dat ze de kandidaat-wethouders zou steunen, ongeacht om wie het zou gaan. Omdat D’66 echter de handen vrij zou willen houden en er niet voor voelde zelf deel te nemen, net als de PSP, zou een links minderheidscollege dan gevormd moeten worden op basis van vijftien zetels van de 39. Alle wethouders daarin moesten komen uit de PvdA, aangevuld met Laurens Beijen van de PPR. Het was nu aan de PvdA om een keuze te maken of zo’n minderheidscollege realistisch was of anders besprekingen met VVD en D’66 te hervatten. Zittend wethouder Dick Tesselaar maakte intussen bekend geen wethouder te willen worden in een minderheidscollege van PvdA en PPR. De andere zittende PvdA-wethouders sloten zich aan bij dit standpunt en waren evenmin beschikbaar.
De VVD-fractie herhaalde bereid te zijn de besprekingen met PvdA en D’66 te hervatten, in de verwachting dat snel zaken gedaan konden worden nu er al overeenstemming was over het programma, maar alleen de verdeling van wethouderszetels nog een punt was. In een open brief aan de PvdA schreef Van Duijn, dat het ‘gekeutel over mentaliteitsverschil’ vanuit tegenstanders in de PvdA bleek dat de feiten werden genegeerd en emoties prevaleerden. De brief werd geplaatst in het Leidsch Dagblad van 30 augustus.
Hoewel D’66 had afgehaakt voor deelname aan een links minderheidscollege, besloot de PvdA-fractie op 29 augustus om gevolg te geven aan de uitspraak van de ledenvergadering om PSP, PPR en CPN te vragen hoe hun positie zou zijn ten aanzien van zo’n college van PvdA en PPR.
De volgende dag vond ’s middags dat overleg plaats. Alle drie lieten weten een links minderheidscollege te willen steunen.
’s Avonds concludeerde een meerderheid van de PvdA-fractie dat ze de stap naar een minderheidscollege niet wilde zetten en bleef bij het standpunt dat een college met de VVD en D’66 de gewenste uitkomst bood. Een minderheid van vier bleef vasthouden aan een links college en bij gebleken onmogelijkheid om dan in de oppositie te gaan. Overigens waren twee fractieleden ervan overtuigd dat een links minderheidscollege werkbaar was (Aad Groos en Frans Mentzij), maar de twee andere fractieleden vonden het weliswaar onwenselijk om met de VVD in zee te gaan, maar dat een links minderheidscollege onwerkbaar zou zijn, ook met het oog op de verdeeldheid daarover in de eigen fractie (Joyce Hes en Henriëtte van Dongen-van der Linden). Een en ander was de uitkomst van een lange besloten en geëmotioneerde fractievergadering.
De meerderheid van de fractie, stelde wel als conditie dat de PvdA vier wethouders moest kunnen leveren in een college dat op een meerderheid in de gemeenteraad kon rekenen.
En zo werd het wachten op de uitspraak van de ledenvergadering van de PvdA, vier dagen voor de installatie van de gemeenteraad.
De beslissende ledenvergadering van de PvdA op 1 september
De vergaderzaal puilde uit op vrijdagavond 1 september. Vergaderd werd opnieuw in de bovenzaal van Het Parlement. Meer dan tweehonderd leden van de Leidse PvdA waren opgekomen, naast veel aanwezigen uit andere partijen, belangstellenden en journalisten.
“In mijn beleving waren leden opgejut om naar die vergadering in Het Parlement te komen, werden ze opgehaald met auto’s, en zag je heel wat mensen die je anders nooit op vergaderingen zag.”(Henriëtte van Dongen-van der Linden, PvdA)
Of er sprake was van het opjutten van leden is al moeilijk aan te tonen, er is geen bewijs van gevonden. Het zit er dik in dat veel mensen bij deze beslissende kwestie aanwezig wilden zijn en hun stem wilden uitbrengen, maar dat ging zowel om de voorstanders als de tegenstanders van samenwerking van PvdA en VVD.
Van de kant van de fractie en het afdelingsbestuur lag er geen eensluidend voorstel of advies. De fractie zou verantwoording afleggen hoe de zaken gelopen waren na de opdracht van een week eerder. Het zag ernaar uit dat twee opties openstonden: stappen in een college met de VVD of kiezen voor de oppositie. Dat de optie voor een links minderheidscollege ontbrak, was omdat alle vier zittende en als raadslid herkozen wethouders hadden verklaard geen zitting te willen nemen in een dergelijk minderheidscollege.
Wat er wel lag was een motie met als eerste ondertekenaar Marietje van der Molen-van Rossen, medeondertekend door nog een aantal partijleden, afgedrukt op rozerood papier, met de conclusie dat er een college gevormd moest worden van PvdA en VVD. Zij was lid van Provinciale Staten en niet eens zo lang daarvoor verhuisd van Leiderdorp naar Leiden.
In de aanloop van de vergadering hadden de fracties van PSP, PPR en CPN woedend gereageerd op het bericht dat de optie van een links minderheidscollege voor de PvdA-fractie van tafel was, nu er vanuit de PvdA geen wethouderskandidaten daarvoor beschikbaar waren. Dat werd als sabotage en chantage gezien, zo werd in een verklaring uiteengezet. Volgens deze fracties zou een links minderheidscollege, met wethouders van PvdA en PPR, mogelijk zijn, omdat D’66 had verklaard linkse wethouderskandidaten te willen steunen. Deze fracties riepen daarom de leden van de PvdA op vast te houden aan de vorming van een dergelijk college.
Tegelijk werd vanuit de VVD naar buiten gebracht welke twee fractieleden op de nominatie stonden wethouder te worden: Piet Hein Schoute en Jos Fase-Dubbelboer.
“Ik stond nummer 1 op de lijst, Kees van Duijn was nummer 2. Geen van beiden wilden wij wethouder worden, dus moesten we elders op de lijst kijken. Toen zijn we op Piet-Hein Schoute en Jos Fase uitgekomen. Jos was daarvoor fractiemedewerker geweest, Piet-Hein was vastgelopen in de krochten van het ministerie van Volksgezondheid en wilde wel iets anders.” (Fred Kuijers, fractievoorzitter VVD) Van Duijn was ondernemer en op dat moment bezig een bedrijf in Noord-Brabant over te nemen. Kuijers was net gepromoveerd en net begonnen met een nieuwe baan op een ministerie. Jaren later zou Kuijers wel de overstap maken naar het college.
Het liep in de ledenvergadering van de PvdA uit op een urenlange pittige beraadslaging. De vergadering werd voorgezeten door René Elkerbout, de vice-voorzitter, omdat voorzitter Leendert Jonker met vakantie was. De meerderheid in de fractie sprak bij monde van waarnemend voorzitter Jan Duivesteijn en voor het minderheidsstandpunt zorgde Joyce Hes. Uit de vergadering werd een voorstel gedaan om in een college van PvdA en VVD ook een wethouder op te nemen uit D’66. Dit werd verworpen, nadat Duivesteijn erop had gewezen dat dit de zaak zou ‘vernachelen’. Want zowel de PvdA als de VVD wilde geen plaats afstaan aan D’66, uitgaande van zes wethouders, dus kon dit geen optie zijn.
Duivesteijn stelde voor nu de vorming van een links college mislukt was om met de VVD in zee te gaan, wat steun betekende aan de motie Van der Molen-van Rossen c.s. Hij zei dat kiezers niet zouden begrijpen dat de PvdA voor de oppositie zou kiezen, terwijl ze met vier wethouders in een college met de VVD kon zitten. Hij zou zelfs, ingefluisterd door René Elkerbout hebben uitgeroepen: “Beter regeergeil dan oppositie-impotent!”
Joyce Hes betoogde dat er een links minderheidscollege mogelijk bleef. Dan zouden alvast drie wethouders gekozen moeten worden, naast Laurens Beijen (PPR) nog twee PvdA-fractieleden die wel bereid zouden zijn wethouder te worden, en zij meende dat Jan Duivesteijn daar een van moest zijn.
De ledenvergadering van de PvdA koos rond middernacht met 135 tegen 66 stemmen voor een college met de VVD, door het aannemen van de motie van Marietje van der Molen-van Rossen.
De weg was nu vrij om met de VVD en D’66 om tafel te zitten om de afspraken over de keuze van de wethouders en de portefeuilleverdeling af te ronden.
In de herinnering van Jan Duivesteijn: “Achteraf hoorde ik dat achter mijn rug om, in de tijd dat ik nog probeerde een links college te vormen, Hans van Dam (PvdA), Hans Glaubitz (D’66) en Fred Kuijers (VVD) al aan het onderhandelen waren. D’66 speelde dus een dubbel spel. Zij waren niet van plan deel te nemen aan een links college, maar hoefden dat niet uit te spreken, omdat de PSP ook niet wilde. Toen de PSP tóch besloot mee te doen, stond D’66 voor het blok en moest Hans Glaubitz zijn mond weer open doen. Dus nadat ik tegen de klippen op een links college had uit onderhandeld, ging het toch niet door. Als wraak heb ik er in ieder geval nog voor gezorgd dat D’66 geen wethouders leverde. D’66 wilde met de VVD, dus ze kregen de VVD. Qua verhoudingen was een college van drie partijen niet eens zo erg, want we hielden dan drie wethouderszetels, de VVD kreeg er twee en D’66 één. Maar dat vond ik ook niks, dus toen heb ik een grap uitgehaald. Toen het collegeprogramma klaar was, heb ik D’66 eerst laten ondertekenen en toen gezegd: wij vinden niet dat jullie geschikte kandidaten hebben voor een wethouder.”
Hans van Dam hierover: “De onderhandelingen werden in deze laatste fase geleid door Jan Duivesteijn die publiekelijk liet weten dat als de VVD een wethouder wilde gunnen aan D’66 dit ten koste zou gaan van de VVD die dan ook maar één wethouder kon krijgen. De VVD van haar kant vond juist dat de PvdA een zetel moest opgeven om deelname van D’66 mogelijk te maken. Het resultaat was dat D’66 geen wethouder kreeg, want PvdA en VVD wilden geen van beide een zetel afstaan. Voor mij was dat al begin augustus duidelijk. Daarom werd ook alleen met de VVD gesproken over een programma-akkoord. Contact met D’66 leerde dat die een wethouder wilden, ten koste van de VVD, maar toen ik daarover sprak met Fred Kuijers (VVD) had die daar geen behoefte aan. Het gerucht dat ik parallel aan de besprekingen met de linkse fracties door Jan Duivesteijn nog overleg had met Fred Kuijers en Hans Glaubitz is onjuist; dat had ook helemaal geen zin, want er lag al een programma-akkoord en op dat moment was er geen ruimte meer voor een dergelijk college.” Fred Kuijers bevestigde desgevraagd dat er inderdaad in die fase geen contact meer was geweest
De afloop: een college van PvdA en VVD
Nu de PvdA vier wethouders wilde en de VVD twee, terwijl er zes wethouders moesten worden gekozen, viel D’66 buiten de boot. Begrijpelijk dat ze in die kring daar boos over waren en uit het laatste overleg stapten: daar voelde D’66 zich niet meer welkom.
De laatste loodjes om de coalitie van PvdA en VVD te smeden vielen nog tegen. Beide fracties vergaderden op maandag 4 september, de dag voor de installatie, nog uren over de aanwijzing en portefeuilleverdeling van de wethouders. Kees van Duijn van de VVD zei daarover na afloop: “We zijn te moe om blij te zijn.” En Jan Duivesteijn van de PvdA liet, toen de PvdA-fractie om twee uur ’s nachts akkoord was, heel zuinig weten: ‘Of het een succes wordt, moet nog blijken.”
D’66 bracht een verklaring uit, waarin de partij stelde dat men vooral verbitterd was over de opstelling van de VVD. In de visie van D’66 had de VVD immers de deelname aan het college te danken aan D’66.
“Tactisch bleek het niet handig om het CDA uit te sluiten, want daarmee had D’66 vrijwel geen onderhandelingspositie. Ook toen D’66 aan het einde van de onderhandelingen buiten het college werd gehouden, kwam de gedachte niet op om met het CDA afspraken te maken en om via die weg een wethouder te kunnen leveren.” (Hans Glaubitz, D’66)
Hans van Dam keek er wat anders tegenaan: “De uitkomst was best comfortabel: een college met de VVD, terwijl er in de gemeenteraad toch een linkse meerderheid viel te vormen.”
Aad Groos had weliswaar een andere uitkomst gewild, maar nu de beslissing was gevallen kon hij daarmee leven. Het hoofdstuk was afgesloten.
In de PvdA-fractie werden de vier zittende wethouders Hans van Dam, Cees Waal, Arie Verboom en Dick Tesselaar opnieuw als kandidaat voorgedragen. Jan Duivesteijn trad terug en Jit Peters werd fractievoorzitter, zodat de vorige (in de periode 1974-1978), Leo Meijer, definitief een stap terug moest doen. Hij zou al na enige maanden overstappen naar een functie bij de gemeente en de fractie verlaten.
Tinus van Aken, die onverkiesbaar was geplaatst en zodoende niet meer in aanmerking kon komen als kandidaat-wethouder gaf in het Leidsch Dagblad een zeer verbitterd interview weg. Hij keerde overigens al binnen een jaar terug in de gemeenteraad als gevolg van het vertrek van diverse fractieleden.
Dat de hele gang van zaken alle fracties had opgezadeld met een kater bleek wel op dinsdag 5 september, toen de nieuwe raad geïnstalleerd werd en vervolgens de wethouders verkozen moesten worden.
Debuterend fractievoorzitter Jit Peters (PvdA) schetste dat zijn fractie een coalitie met de VVD niet had gewild. Het was uit opportunisme dat het nu moest, maar hij hoopte dat het in de toekomst niet meer nodig zou zijn een coalitie met de VVD aan te gaan. Hij zei volgens de Leidse Courant, dat de t twee wethouderskandidaten uit de VVD nog niet op het vertrouwen van zijn fractie konden rekenen, maar dat hun vooralsnog ‘het voordeel van de twijfel’ werd gegund.
Fred Kuijers (VVD) verklaarde dat de coalitie niet voortkwam uit liefde op het eerste gezicht en ook niet op het tweede gezicht. Hij zag de uitkomst als een onvermijdelijk gevolg van de verhoudingen in de gemeenteraad.
De partijen links van de PvdA ventileerden stevige verwijten in de richting van die partij.
Hellmuth Driessen, CDA, noemde het nieuw aantredende college een ‘college van verliezers’, nu de winnaars van de verkiezingen (CDA en D’66) buitenspel stonden. CDA en D’66 lieten stevige verwijten horen in de richting van de VVD. Hans Glaubitz typeerde het nieuwe college als een regentencollege, met twee partijen die arrogant de macht hadden opgeëist. Verschillende fractievoorzitters meenden dat de PvdA al die tijd een spelletje had gespeeld en van meet af aan met de VVD in zee wilde. De PSP meende bij monde van Hilda Passchier, dat de coalitie een ramp voor de stad was.
“Overigens had ik niet de indruk dat de nieuwe coalitie in 1978 leidde tot grote beleidsmatige veranderingen. De belangrijkste PvdA-wethouders bleven op hun plaats. Het beleid werd iets omgebogen, maar de grote lijnen waren die in de periode ervoor uitgezet en liepen gewoon door. Ook was het niet zo ‘dat het vuur ervan af spatte’ tijdens raadsvergaderingen. Het CDA was de belangrijkste oppositiepartij, maar dat voerde een weinig krachtige oppositie, deels omdat men het vaak eens was met de VVD, die inmiddels onderdeel uitmaakte van het stadsbestuur.”(Laurens Beijen, PPR)
De wethouders werden gekozen met telkens nagenoeg alleen de stemmen van de fractieleden van PvdA en VVD. Die twee fracties telden samen 21 leden. Cees Waal kreeg 23 stemmen en de andere vijf zelfs maar 22. Naar zeggen was die stem van buiten de coalitiefracties van vertrekkend wethouder Bert Oosterman, terwijl Hans Glaubitz de tweede extra stem voor Cees Waal had uitgebracht.
De linkse fracties stelden tegenover de kandidaten uit de coalitie eigen kandidaten, veelal uit de linkervleugel van de PvdA. Zo werd Aad Groos ongevraagd gekandideerd, tot zijn verrassing, terwijl hij helemaal geen wethouder wilde worden. Op hem werden zeventien stemmen uitgebracht. Het CDA koos ervoor, nadat bij de eerste kandidaat bleek dat het steunen van tegenkandidaten geen zin had, daarna telkens unaniem blanco te stemmen. De resterende tegenkandidaten bleven daarmee steken op vier tot zes stemmen.
Bij alle zurigheid kon men nog niet weten dat de samenwerking van PvdA en VVD het drie achtereenvolgende periodes zou houden.
“Dat de VVD terechtkwam in het college in de periode 1978-1982 kon ik wel begrijpen. Er was niet een warme band tussen VVD en CDA en dus was er geen reden elkaar vast te houden. De VVD was in zekere zin opportunistisch en kon blijkbaar goed genoeg overweg met de PvdA.” (Hellmuth Driessen, fractievoorzitter CDA)
Epiloog
Het proces tot de vorming van een college van B&W in 1978 kende chaotische trekken. Dat kwam in de eerste plaats door een machtsstrijd in de Leidse PvdA tussen een vleugel van meer bestuurlijk ingestelden en een vleugel die de condities voor onversneden links beleid wilde waarborgen. Die laatste groep, die zich zag als de linkervleugel in de PvdA, telde alle behaalde zetels op van PvdA, D’66, PSP, PPR en CPN, kwam tot een aantal van 21 van de 39 raadszetels en concludeerde dat een links college mogelijk was. Dat moest dan wel een minderheidscollege zijn, want in zo’n college zouden in elk geval geen wethouders namens PSP en CPN deelnemen. Toen ook D’66 afhaakte om in een dergelijk college te gaan zitten, resteerde een links minderheidscollege van vijftien zetels, in het zadel te helpen door steun van de tegenstribbelende fracties van D’66, PSP en CPN, maar de minderheid in de PvdA-fractie hield daar toch aan vast.
De bestuurlijke vleugel had al voor de raadsverkiezingen min of meer afscheid genomen van een links college. Natuurlijk, als PvdA, D’66 en PPR met elkaar een meerderheid in de gemeenteraad zouden behalen was het een optie, maar het was onwaarschijnlijk dat deze drie partijen de meerderheid van de zetels in de gemeenteraad zouden bezetten. Daarbij wilde deze bestuurlijke vleugel ook niet afhankelijk zijn van de PSP, die zowel in de periode 1970-1974 als in de periode 1974-1978 de samenwerking had verbroken. Meer nog, ook deze keer maakte de PSP duidelijk wel linkse wethouders te willen kiezen, maar zelf geen verantwoordelijkheid te willen dragen. Om dan toch een meerderheidscollege te kunnen vormen, was de bestuurlijke vleugel aangewezen op de VVD, want de weerzin om samen te werken met het CDA was veel te groot.
Uiteindelijk liep de confrontatie in de PvdA hoog op. Toen in laatste instantie de vier zittende en als raadslid herkozen wethouders lieten weten dat zij geen deel wilden uitmaken van een links minderheidscollege, was feitelijk alleen een college van PvdA en VVD nog een realistische optie. Ook op dat moment was er nog een flinke minderheid in de PvdA die daar niet aan wilde, en mogelijk is dat de verklaring van de opstelling van de fractie bij het aantreden van het nieuwe college. De inbreng van de nieuwe fractievoorzitter Jit Peters bij de installatie van het nieuwe college, waarbij hij schetste dat de VVD het vertrouwen nog moest verdienen en dat het een eenmalige zaak zou zijn, kan immers worden gezien als een manier om de groep in de eigen achterban en ook in de eigen fractie die tegen de samenwerking gekant waren verbaal tegemoet te komen.
Essentieel in dit geheel was de positie van D’66, vooral toen deze partij onverwacht drie zetels behaalde en een serieuze factor werd. Vooraf aan de verkiezingen had D’66 al geconcludeerd tegen een links college te zijn en eigenlijk maar één voorkeur koesterde: een college van PvdA, VVD en D’66. Die keuze bleef in stand, ook toen in de laatste fase van de onderhandelingen een dringend beroep vanuit de PvdA werd gedaan om in een links college deel te nemen. Getalsmatig was D’66 niet nodig in een college met PvdA en VVD, maar het werd extra lastig omdat alle partijen vasthielden aan een college met zes wethouders. In dat geval was noch de PvdA (veertien zetels in de raad en koersend op vier wethouders), noch de VVD (zeven zetels in de raad en twee wethouders eisend) bereid een plaats af te staan aan D’66. Achteraf betreurden de onderhandelaars van D’66 dat ze zich zo hadden vastgelegd op samenwerken met PvdA en VVD. Als de lijn was gekozen dat open te laten, was hun onderhandelingspositie stukken sterker geweest.
In dit beeld was er geen plaats voor de grote winnaar van de verkiezingen, het CDA, terwijl dat toch met elf zetels een flinke factor in de gemeenteraad zou vormen. Bij de linkse partijen en D’66 was er weerzin tegen het CDA, terwijl de VVD voorrang gaf aan de eigen positie. Het is achteraf niet goed duidelijk of de afkeer van het CDA bij andere partijen een algemeen gevoelen was, mede voortkomend uit de spanningen in de landspolitiek van het jaar ervoor, (de val van het kabinet-Den Uyl en de verwijten over en weer daarover en vervolgens in een lange mislukte formatiepoging van PvdA en CDA) of dat de wijze waarop CDA-fractievoorzitter Hellmuth Driessen confronterende oppositie had gevoerd in de periode 1974-1978 deze stemming bepaalde. Vermoedelijk versterkten die aspecten elkaar.
Jit Peters schetste achteraf hoe in zijn ogen de kaarten hadden gelegen: “De verkiezingsuitslag in 1978 maakte een voortzetting van een geheel links college bijna onmogelijk, omdat het grootste deel van de PvdA-fractie, maar ook D’66 niet afhankelijk wilde zijn van de twee zetels van de PSP. Het onderhandelingsteam van de PvdA (Hans van Dam, de lijsttrekker, Dick Tesselaar, Jan Duivesteijn en Jit Peters) was er daarom een voorstander van om met de VVD in zee te gaan. Weliswaar sprak de afdelingsvergadering uit dat de voorkeur uitging naar een links college, maar de fractie, althans een meerderheid van de fractie, achtte dat niet reëel.”
Overigens mag niet worden uitgesloten dat tussen prominente actoren uit PvdA en VVD informele contacten zijn geweest die mede hebben geleid tot de vorming van een college van beide partijen.
Het opmerkelijke van de gang van zaken was immers dat programmatische overwegingen niet of nauwelijks een rol speelden. Er was brede overeenstemming over het stadsvernieuwingsbeleid, aan de wens vanuit de VVD om het economisch beleid te versterken was de PvdA zelf toe, en het lukte zonder veel moeite om bij gevoelige onderwerpen (erfpacht, ontwikkeling Stevenshofjespolder) een afspraak te maken. Ook het CDA kon zich goed in deze standpunten vinden.
Dat neemt niet weg dat de leidende actoren uit PvdA en VVD er voor zorgden dat tijdens de rit zo min mogelijke verassingen konden optreden, door een voortdurend overleg van wethouders en fractievoorzitters.
“Het college van 1978 rustte op een meerderheid van 21 zetels van 39, dus zoveel ruimte was er niet om minderheidsstandpunten te hebben in de coalitiefracties. Er werd geregisseerd door het WOF (wethoudersoverleg met de fractievoorzitters), dat in de periode 1974-1978 voortkwam uit PvdA en lijst 4, en in de periode 1978-1982 uit PvdA en VVD. Dat WOF was overigens ook een manier om de burgemeester buitenspel te zetten, want in het WOF werden ook de beslissingen voorgekookt van het college van B&W.” (René Elkerbout, PvdA)
Ook al was bij alle betrokkenen de kater na de chaotische gang van zaken groot, al snel kwam het college in redelijk rustig vaarwater en kon het de zittingsperiode zonder moeite uitdienen. Sterker nog, in 1982 werd het college in dezelfde verhoudingen voortgezet.
Toenmalig journalist John Kroon van het Leidsch Dagblad: “Toen in 1978 de samenstelling van het college van B&W veranderde en de VVD wethouders leverde, veranderde er inhoudelijk niet zoveel. Als het ging om de stadsvernieuwing liep alles door, ook omdat het kabinet-Van Agt dezelfde prioriteit gaf aan Leiden als het voorgaande kabinet-Den Uyl. Dat betekende niet dat er zomaar geld werd overgemaakt. Leiden moest goede plannen blijven leveren en dat gebeurde.”
Versie 26 mei 2026
Bronnen
Het Leidsch Dagblad en de Leidse Courant, geraadpleegd via het digitale archief bij Erfgoed Leiden en Omgeving (ELO)
De citaten komen voor het merendeel uit interviews voor de publicatie Van verval naar vernieuwing, Leiden 1970-1985 (Leiden, 2025), met Hans van Dam, Jan Duivesteijn, Jit Peters, Henriëtte van der , Laurens Beijen, Fred Kuijers, Kees van Duijn, Hans Glaubitz, Hellmuth Driessen en René Elkerbout; dee teksten daarvan zijn gedeponeerd bij ELO. Daarnaast is aanvullend een gesprek gevoerd met Aad Groos.
Arie de Jong c.s., Van verval naar vernieuwing, Leiden 1970-1985 (Leiden, 2025)
Dank gaat uit voor commentaar op eerdere versies van dit artikel naar Hans van Dam, Fred Kuijers, Hans Glaubitz, Jit Peters, Paul Bordewijk, Aad Groos, Jan Hoekema, René Elkerbout, Jan Marinus Wiersma, Jan Duijvestein en John Kroon.
